Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
den zijn, daar moeten ze noodwendig vormend werken en hnn eigen
zieleleven verveelvoudigen. Zij kennen elkeea^ri 'h^t huisgezin ze
spreken tot vader en zoon, tot moeder en dochter, en bet dorp is
hun wereld, maar een wereld, welke zij omarmen kunnen en aan
hun hart drukken.
In hooger standen en betrekkingen vindt men dat zelden zoo.
Hoe meer liefde een hart behoeft, des te eenzamer gevoelt het zich
dikwijls in de hoogte. Men schrijft in akten, maar niet jn harten.
Men gaat en komt, men leeft en sterft, en de wereld gaat voort
en de menschcn bekommeren er zich niet om; doch waar 5en wakker
geestelijke of ouderwijzer na lang trouw werken uit zijn engen kring
ter ruste gaat, daar staat het leven een tijdlang stil, en weemoed
klinkt overal in ieder groete, smartelijk zoet, als het aandoenlijke:
„Blijf bij ons, want het wordt avond!"
31.
„Schoolmeester te zijn, wat een akelig baantje! Hoe eentoonig
en vervelend, dag in, dag uit onder de kinderen te zitten en hun
't A B C te leeren."
Dat hebben we al honderdmaal gehoord; 't is een praatje gewor-
den, dat de een den ander nababbelt. Eerst ergerden we ons er
aan en trachtten onze meélijdige beklagers kortweg met de opmer-
king af te sciiepen, dat de opvoeding en't onderwijs van opgroeijende
menschen geen vervelend werk kan zijn, en dat de omgang met
frissche, begaafde kinderen veel minder eentoonig is, dan de bezig-
heid der meeste handwerkers of beambten.
Nu ergeren we ons niet meer en wij zwijgen, omdat we bij onder-
vinding weten, dat het in leêge putten slecht water dragen is.
Maar des te meer bedroeven we ons, als we jonge onderwijzers
hooren klagen: „Ach, die vervelende laagste klasse; altoos onder
dat kleine schrot! Men kan zijn kennis niet gebruiken en gaat in
zijn vorming achteruit! Men moet wel versuffen!"
Onder jonge kinderen versuffen! Jouge man, beproef u zeiven.
32.
Zelfbeproeving zal in de meeste gevallen tot de bekentenis leiden,
dat zich op den bodem des harten een weinig hoogmoed heeft genes-
teld. Men houdt er veel van, om 't op de kweekschool of elders