Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
wijzer worden. Ook hij, die onderwijzers wil vormen, mag dat wel
ter harte nemen. Hij vergete niet, dat hij bovenal door zijn voor-
beeld moet voorlichten.
't Spreekt van zelf, dat hier geen dwang kan helpen, maaralleen
die vrije wil, welke blijmoedig datgene ontbeert, wat niet de kern
des levens uitmaakt.
29.
In vroeger jaren heb ik eens een boekje gelezen, — den naam
des schrijvers heb ik sinds laug vergeten — dat over vreugde en leed
in H onderwijzersberoep handelde, 't Eerste werd tegen 't laatste
gewogen en het slot der rekening maakte den onderwijzer tot een
gelukkig mensch, 't Boekje meende H zeker goed, maar zoo'n reke-
ning is heusck niet noodig, daar de zaak mijns inziens zeer eenvou-
dig is. Wij hebben slechts vreugde aan wat we liefhebben, en
de beroepsliefde is en blijft de eenig ware vreugdebron voor den
onderwijzer. Hadden wij alle schatten van Peru en wij misten de
liefde, zoo zou ons beroep ons een last zijn.
30.
Voor den man, die het doel zijns levens en het goede kompas op
zijn pelgrimsreis heeft gevonden, is er niets schooners en geluk-
kigers, dan een begrensde, beperkte werkkring, waarin hij overziend
vormen en dien hij vormend overzien kan, — waarin zijne woorden niet,
gelijk de stem des roependen in de woestijn, verdwijnen, — waarin
zijn goede werken niet den droppel gelijken, die iu de grondelooze
zee valt. Wannéér 't waar is, wat de dichter zegt:
„Ja, ieder stent-end mensch, als hij ten grave gaat , *
Laat graag een krais terug, waarop zijn naam slechts staat,"
hoeveel gelukkiger is bet dan, in een engeren kring van menschen
te leven en te onderwijzen, wier eenvoudige levensbetrekkingen het
mogelijk maken, in de harten gedenksteenen op te rigten, die op
kind en kindskind overgaan. Wat is streelender dan liefde, en waar
kan men haar zekerder verwerven, dan in een kleinen kring van een-
voudige menschen en in de bescheiden sfeer van stille afgeslotenheid?
Daarom is het Igt van geestelijken en ouderwijzers een schoon lot,
en ik weet naauwelijks iemand, die zich in dat opzigt met hen kan
meten. Waar beiden door liefde tot het volk en de jeugd verbon-