Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
te vinden. Vooreerst viel mij de buitengemeene zindelijkheid der ge-
lijkgekleurde omslagen in 't oog. Er waren geen inktvlakken op te
zien, alles was van binnen en van buiten zindelijk en net: niets was
te digt naar boven of naar beneden geschreven, niets scheef of krom;
de cijfers stonden goed naast elkander, alle strepen onder enkele afdee-
lingen waren zuiver, als met een lineaal getrokken, in één woord, alles
lachte mij aan door orde en symetrie. Ik was verwonderd en greep
naar eenige onder den lessenaar liggende schrijfboeken, waarin de
kinderen voor kort hadden geschreven. Ook hier zag ik hetzelfde.
Hoe heilzaam, dacht ik dadelijk, moet zulk een gewenning op de
kinderen voor hun geheele leven werken. Zullen ze in 't ligchame-
lijke niet diezelfde orde en zindelijkheid aannemen, en moet niet het
op de schoolbank geleerde ook buiten de school goed werken? Zou
't niet zelfs op den geest een heilzamen invloed uitoefenen, en
komen uit dergelijke leerlingen geen geestelijk en ligchamelijk reine,
bruikbare, stipte menschen voort?
De jonge man verheugde zich over mijn zigtbaar welgevallen en
antwoordde op de vraag, hoe hij 't had aangelegd, om zulke resul-
taten te krijgen, eenvoudig: „Ik laat zeniet eerder vrij; ze moeten
het zoo doen, dat is eens bepaald." In 't vervolg van ons gesprek
erkende hij gaarne, dat hem die gewenning aanvankelijk veel moeite
had gekost, cn dat hij het slechts door de grootste standvastigheid
zoo ver had gebragt. Nu wisten de kinderen niet anders en handel-
den naar zijn wensch, zonder dat hij bijzondere dwangmiddelen be-
hoefde te gebruiken. Nooit had hij de geringste nalatigheid over
't hoofd gezien. Slordig, slecht werk was altijd met achteruitzetting
of herhaling van de taak gestraft geworden. Het laatste gebeurde
in den vrijen tijd onder zijn opzigt, en in den beginne had hij geen
vrij oogenblik gehad. „Vijf minuten meer, en een opgave kan goed
geschreven worden, waarom zou men die vijf minuten niet gebruiken?"
Als hij dicteerde, deed hij 't echter ook zóó, dat hij de kinderen
niet door overdreven haast tot morsen aanleiding gaf.
Ik wenschte, dat alle onderwijzers de consequentie van dien wak-
keren man hadden; de vruchten zouden dan waarlijk niet alleen aan
de schrijfboeken zigtbaar zijn!
28.
Het beroep des onderwijzers is onder alle, zelfs onder do gunstig-
ste omstandigheden, een beroep, dat ontbering en zelfoverwinning
eischt, en wie daartoe geen moed en kracht bezit, moet geen onder-