Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
enz. Al die dingen laten zich door de maat als 't ware veredelen.
Beproef het b. v. eens, om bij 't einde der les het uitgaan naar
de maat te regelen. De onderwijzer beveelt: „Gaat zitten!" Alles
is doodstil. — Een! — de kinderen nemen hun gereedschap. —
Twee! — ze staan op. — Drie! — allen keeren zich naar de deur.
Nu een teeken met de hand, en zij gaan bank voor bank in stille
ofde naar huis.
Daarom vervangen ook op goede scholen geregelde ligchaams-
oefeningen het woeste, onbesuisde en ruwe stoeijen in de speeluren.
11.
leder kinderblik, op de menschen rondom en in 't bijzonder op
ouders en leeraars gerigt, is een vraag, een bede; verstaat gij die niet?
Het kinderoog vraagt: „Wat is de wereld? Wat beteekent alles
om mij heen? Wat ben ik zelf? Zegt het mij, gij groote menschen,
gij moet het immers weten!"
En wat moet nu ons antwoord zijn?
Ons leven. Het kind hoort onze woorden, het merkt onze daden
op, en het vormt zich daaruit zijn. begrip van de wereld, zijne voor-
stelling van het leven.
12.
Van lieverlede bespeurt het kind een onderscheid tusschen goed
eu kwaad, tusschen regt en onregt; het merkt op, dat het niet on-
verschillig is, hoe de mensch handelt. Maar een kind heeft zijn
geweten eigenlijk nog buiten zich, d. i. in de volwassenen. Zijn
geweten wijst hem nog niet genoegzaam de kenteekenen van 't goede
aan. Wat kan het nu anders doen, dan op zijne naasten, op hen,
die het van nabij omgeven, den vragenden blik te werpen? — „Wat
is regt? Hoe moet men leven? Zegt het mij, gij volwassenen, gij
moet het immers weten, gij zijt veel ouder dan ik!" Zoo luidt de
vraag in 't kinderoog, 't Antwoord, dat een kind begeert, kan niet
een ernstige vermaning zijn: deze schiet nog geen wortel in 't kin-
derlijk gemoed. Op onze handelingen let het kind," daarnaar
wil het zijn eigen handelingen rigten. Veel meer dan duizende
volwassenen denken, is 't kinderoog vorschend op ons gevestigd, en
men behoeft slechts te gevoelen, hoe onschatbaar, hoe heilig een
menscheuziel is, om in 't kinderoog een warme bede te lezen, deze: