Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
naar gedurig van plaats verandert i dan beginnen de gedachten evenals
de blikken heen en weer te dwalen.
Begrijpen dat die onderwijzers niet, welke gedurende hun onderrigt
als eeuwige wandelaars de ruimte der school meten, en die ons aan
een gevangen roofdier herinneren, dat achter de ijzeren tralies heen
en weer rent?
Zij zijn eigenlijk de schuld van de onopmerkzaamheid hunner leer-
lingen, wier blikken zij heen en weer trekken; want even als het
kinderoog niet tot rust komt, zoo komt ook bij zulk gezwenk en
gedraai de kinderziel niet tot rustig denken. En daarbij komt dan
nog de verleidelijke gelegenheid, om achter den rug des wandelenden
onderwijzers guitenstreken uit te voeren.
Als de kapitein zijne kompagnie monstert, kiest hij zich een stand-
punt, vanwaar hij 't geheele front kan overzien en beheersehen. Zoo
doe ook de onderwijzer: van één'punt overzie en beheersche liij
zijne klasse. *
10.
Takt of maat is voor de meeste menschelijke verrigtingen iets
noodwendigs en natuurlijks. Onze pols slaat op de maat, onze gang
is op de maat, ja wij kaauwen zelfs op de maat, en waar twee of
drie te zamen 't zelfde werk verrigten, doen zij 't op de maat en
het wordt daardoor ligter en aangenamer, 't Wandelen valt eens zoo
gemakkelijk, hameren en dorschen gaat eens zoo goed, als men *t
in de maat doet. Dans en muziek zonder maat ziju ondingen.
Waar wij maat en rythmische beweging ontmoeten, daar oefenen
ze een betooverende magt op ons uit; wij worden gedrongen, er
in te deelen. Wij hooren den moedigen marsch, en onze gang wordt
vaster, onze voeten voegen zich onwillekeurig naar 't gegeven tempo.
Iedere van maat vergezelde beweging wint in bevalligheid. Welk een
onderscheid tusschen een goeden dans en het plompe springen van
't volk! Door de maat wordt «cn moeijelijk werk ons gemakkelijk
en aangenaam.
Daarom zie ik zoo gaarne maat en zang in onze scholen. De maat
schept ook daar uit verwarring orde, uit verveling opgewektheid.
Welk praktikus denkt hier niet aan zooveel onvermijdelijke kleine
gevallen in 't schoolleven, die hem zoo dikwerf ergerden, omdat ze
tot gedruisch en wanorde aanleiding geven. Ik herinner alleen aan
de voorbereidingen tot lezen en schrijven, het uitgaan van enkele
klassen, het ophalen van gebruikte boeken en gereedschappen,