Boekgegevens
Titel: De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Auteur: Leopold, Martinus
Uitgave: Groningen: J.M. Wolters, 1866
Wageningen: A. van der Veen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 643 : 1e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204925
Onderwerp: Pedagogiek: pedagogiek: algemeen, Onderwijs: onderwijs: algemeen
Trefwoord: Pedagogiek, Onderwijs
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De opvoeding in school en huis: korte stellingen, wenken en meeningen, vreemde en eigene
Vorige scan Volgende scanScanned page
ters zijt gij, het kinderhart is uw tempel; gij moogt uwe zielen
sterken met den heiligen adem, die u uit de gewelven vau dien
tempel tegenstroomt; gij moogt doordringen tot het heilige der hei-
ligen. Ja, tot daar moet gij doordringen; want daar staat de arke
des Verbands. Doch wee u, priesters, die u in dien tempel waagt,
zonder dat ge deu goddelijken adem der wijding over uwe ziel hebt
voelen glijden. Waard zijt ge, dat men u den blinkenden priesterrok
van de leden scheurt en u in een verachtelijk harlekijnspak steeki 1
8.
Wie te veel spreekt, diens geest zit dikwerf in zulk een mate op
en in de tong, dat hij vergeet, dat hij ooren heeft en gedurende
't spreken niet hoort, — dat hij oogen heeft en niet ziet. Gebruikte
de redenaar vooral de laatsten meer, — hij zou beter weten, wanneer
het tijd is te zwijgen. Slechts weinig begaafde menschen brengen
het door oefening en ernstige wilskracht zóóver, dat zij spreken en
toch tegelijk scherp hoeren en zien.
De onderwijzer mag die waarheid wel bedenken, 't Is wel zijn
werk om te spreken, maar hij mag zieh niet laten verleiden, om voor
de kinderen als redenaar op te treden en met zelfbehagen zijn eigen
gladde taal aan te hooren. Hij bedenke, dat ziju spreken ten
doel moet hebben, de hinderen tot spreken te brengen, en dat hij
hun geestelijk standpunt, hun gemoedsleven slechts dan volkomen
leert kennen, wanneer zijn. woord het hunne wekt. „TJ Leb ik over-
vloedig leeren kennen, maar niet de stomme kinderen!" zeide eens
een schoolopziener tot een praatzieken meester. — Men late de kin-
deren spreken, om zich te overtuigen, of ze begrepen hebben, wat
ze begrijpen moeten.
De sprekende onderwijzer leere echter nevens en met de tong ook
oogen en ooren gebruiken, opdat hij den indruk zijner woorden op
de gezigten leze, de onopmerkzaanjheid waarneme en den moed-
wil hoorc.
9.
Als wij ons geheel in ééne zaak verdiepen, dan rust ook 't oog
op één punt en dwaalt niet heen en weer. Hooren we iemand spre-
ken , wiens woord ons belang inboezemt, dan willen we hem ook zien;
wij genieten eerst dan den vollen indruk zijner woorden, als we hem
in 't oog kunnen zien. Daarentegen verstrooit het ons, als de rede-