Boekgegevens
Titel: 250 rekenkunstige voorstellen, opgegeven bij acte-examens voor hulp-onderwijzers
Auteur: Jong, S. de; Roest, A.L.
Uitgave: Amsterdam: A. Hoogenboom, 1869
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 681 D 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204909
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Examenopgaven
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   250 rekenkunstige voorstellen, opgegeven bij acte-examens voor hulp-onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
83. A., B. en C. handelen te zamen. A. geeft 2000 gulden;
B. eenig geld voor 8 maanden en C. die—ï—van de winst krijgt,
8,3
geeft 500 gulden voor 6 maanden. Zoo nu de winst van A.
tot die van B. staat als 5: 6, voor hoelang heeft A, dan zijn
geld gegeven en hoeveel B. ingelegd?
84. Iemand doet bij het geld, dat hij in zijn beurs had,
uog 21 gulden en bevindt, dat er nu 3 gulden meer in is,
dan 5 maal het geld, dat er eerst in was. Hoeveel heeft hij
dan nu iu zijne beurs?
85. De zolder van eene kamer wordt ondersteund door 12
balken, lang 5 el, breed 0.15 el en even dik. Men wil die
balken met papier beplakken en gebruikt daartoe vellen van 0.9
el lang en 0.5 el breed. Hoeveel heeft men noodig?
86. A. B. en C. moeten een zeker getal bladzijden afschrijven.
A kan het alleen in 43 en B in 39^13 dagen. C schrijft eiken dag
één bladzijde meer dan B. Zoo zij het nu te zamen in 13^/^3 dag
kunnen doen, hoeveel bladzijden waren er dan af te schrijven?
87. Zoek het kleinste getal, dat door 5, 6 of 7 gedeeld
wordende, niets overlaat, doch door 8 gedeeld, 2 tot rest
geeft.
88. Hoeveel is: (16 jaar 10 maanden 8 dagen 14^5 ^lur)
X 17-/3?
89. Hoe groot is een kapitaal, dat tegen 5 uitgezet:
O 036 3
' X-i^ + 99,90 gulden aan interest opbrengt?
^^ 755
90. In een weiland loopen schapen , kalveren, koeijen en paar-
den, waarvan de getallen in deze orde eene evenredigheid uitmaken
Telt men nu de schapen en kalveren bijeen, dan bekomt men 36
en de koeijen en paarden te zamen nemende, verkrijgt men 30
stuks, terwijl de koeijen en schapen te zamen 55 stuks uitmaken.
Hoeveel zijn er van elke soort ?
91. Een jongen, die zeker getal met 86 moet vermenigvul-
digen, vergeet bij het vermenigvuldigen met de 8 een cijfer in
te springen en krijgt dus in het product 23328 te weinig. Welk
was het vermenigviildigtal?