Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
2e kind de 2e mouw en het Ie kind aan den romp kunnen
werken lietzelfde wat No. 2 daaraan ook heeft verricht. Bij
eenige oordeelkundige verdeeling van de leerstof kan de
onderwijzeres op bovenstaande wijze aangegeven gemakkelijk
het hemd in korteren tijd doen afwerken.
MANSBROEKEN.
Mansbroeken worden in onzen tijd niet zooveel meer ge-
naaid als vroeger. Er wordt zeer veel geweven goed (tricot)
voor heeren onderbroeken en borstrokken gedragen.
Maakt men onderbroeken, dan doet men dit van keper,
molton, en voor de arbeidende klasse vaak van gekleurde
stoffen, als baai en bever. De meeste onderbroeken hebben
lange pijpen, die tot onder aan het been reiken. Als gemid-
delde lengte rekent men voor eene broek 1 Meter stof van
85 cM. breedte, zoodat men voor de beide helften 2 M. goed
noodig heeft. Elke helft wordt in de lengte in drieën gevouwen;
het middelste derde deel weer in drieën. Het bovenste van deze
drie deelen komt bij het derde deel, zoodat dit "1, en het andere
deel "'/g van de geheele lengte van de broek lang is. Van het
kruispunt a wordt in eene naar binnen gebogene lijn de pijp
aangegeven, die van onderen de helft van de stofbreedte tot
wijdte heeft. Van de bovenvoorhelft wordt'/j der stofbreedte
in eene eenigszins holle lijn en van de bovenachterhelft wordt
'/j der halve stofbreedte in eene bolle lijn afgeknipt. Van den
bovenkant wordt j van de lengte der broek schuin van
voren tot achteren oploopend geknipt. De pijpen worden aan
den onderkant een weinig (2 a 3 M.) afgeschuind. Op de
vouw is de broek iets korter dan aan den pijpnaad, (Zie
fig. 7(5.) Het beensplitje is 10 cM. lang. De boord, die uit
het uitsnijdsel van de pjjpen kan geknipt worden, heeft den
vorm van een scheefhoekig trapezium, waarvan de grootste
zijden 40 cM. zijn en de halve wijdte van den boord voor-
stellen. De boord is aan den eenen kant (voorzijde der broek)
16 cM. breed en aan de achterzijde 10 c^l. Deze lap in