Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
Fig. 58.
Sc.M.
l-r"
op dezelfde wijze als onderrokken genaaid, doch zijn 10 cM.
langer dan een onderrok. Ter versiering zet men op eenen
bovenrok strooken of borduursels, of naait er tusschenzetsels
of plooitjes in.
Men merkt eenen rok aan het split in het hoekje van de
rechterhelft van het split. Witte onderrokken worden met
garen No 50 genaaid, als ze van zware stoffen zijn vervaar-
digd en fijnere dito, alsmede bovenrokken, naait men met
garen No, 60 of 70.
NACHTJAPONNEN.
Nachtjaponnen worden in zeer verschillende vormen en
afmetingen gedragen. Eenige menschen dragen jaquets tot op de
heupen afhangend, anderen dragen nachtjaponnen, die tot
de knieën reiken, oudere menschen dragen
soms jakken met eenen langen schoot er aan,
doch over het algemeen verstaat men onder
eene nachtjapon een kleedingstuk, dat van
den schouder tot den voet reikt. Zij worden
gemaakt van wit katoen, basin of andere ge-
streepte en gefigureerde witte stoffen. Eene
nachtjapon bestaat uit het voor- en achter-
gedeelte, het juk of schouderstuk, de mouwen
met de handboorden of manchetten, den hals-
boord, de geeren en het belegstuk van voren.
Soms heeft men geene geeren aan eene nacht-
japon, maar is de romp drie of drie en een
halven baan wijd. Men rekent voor eene
nachtjapon noodig te hebben 4.7 M. tot5!M.
stof van 85 cAI. breedte. Het voorgedeelte
neemt men 1.40 iE. Het achtergedeelte is zoo-
veel cM. korter dan het voorgedeelte, als het
schouderstuk hoog is (12 a 14 cM.). De geeren
zijn 110 tot 115 cir. lang, van boven 8 en
van onderen 30 cM. breed. Zij hebben dus

L.
JO c.M.