Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
(Ie achterbaau van den rok en de derde baan wordt tot 2
geeren op de volgende wijze geknipt. De baan wordt aan
den boven- en onderkant in de breedte in drie gelijke deelen
verdeeld. Van het bovenste eerste derde deel rechts tot aan
het onderste eerste derde deel links, trekt men over de baan
eene lijn (in de teekening fig. 57 ah).
Langs deze lijn wordt de baan doorgeknipt. De baan
abeel wordt met den loodrechten kant cd aan de eene zijde
van de voorbaan en de baan ahef met denzelfden kant fe
aan de andere zijde van een voorbaan gezet. De schuine
zijden van elke geer worden dus aan de achterbaan van den
rok door Engelsche naden bevestigd. Heeft de stof, zooals bij
molton piqué, een patroon en maakt men van zulke stof,
een even aantal rokken, dan moet men de geerbanen afwis-
selend knippen. De eene baan knipt men door volgens boven-
staande teekening en de andere zou volgens de denkbeeldige
lijn g h doorgeknipt moeten worden. Eene geer van de eerste
baan en een' daarbij behoorende van de tweede baan zou dan
voor denzelfden rok gebruikt kunnen worden, zonder dat het
patroon der stof wordt verbroken. Als men geerrokken maakt,
moet men uit de breedte der stof berekenen of men heele
of halve stofbreedte voor de voor- en achterbaan kan ge-
bruiken. Bij het in elkander zetten van de banen van eenen
rok neemt men de banen aan de bovenzijde gelijk. Van
onderen waar de gegeerde banen iets langer zullen zijn aan
de schuine zijde, dan de rechte banen, knipt men ze een
weinig af.
Het stiksel van de 4 banen van eenen geerrok komt op
de voorbaan en op de geeren; de achterkant van de stiknaden
komt dus op de geeren en op de achterbaan van den rok.
De zoom van den rok kan niet zonder plooitjes vallen. Men
zorgt, dat ze zooveel mogelijk bij den naad vallen.
Bovenrokken, die tegenwoordig bijna uitsluitend als geer-
rokken worden gedragen, komen voor van fijn Ainersfoortsch,
Haarlemmer, Fransch baptist en fijn madapolam. Zij worden