Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ulz.
na voldoende oefeningen vereenigd worden, liet is niet wen-
schelijk, ja zelfs zeer af te keuren, een vak achter elkaar
af te handelen, men moet ook hierin concentrisch te werk
gaan, d. i. de leerstof in verschillende kringen verdeelen,
die elk jaar wijder worden.
Een eerste vereischte voor de onderwijzeres is, dat zij dui-
delijk, geduldig en opgewekt het onderwijs geeft, dat zij stipt
is in het beoordeelen van het werk; want wat is een hand-
werk, dat niet netjes is afgemaakt? Het is een bewezen
waarheid, dat men de kinderen niet genoeg op netheid kan
wijzen; het kweekt het schoonheidsgevoel bij de jeugd reeds
aan. Wanneer de onderwijzeres zelve de leerstof goed machtig
is, kan ze met een stalen wil en een nauwe plichtsbetrachting
veel tot stand brengen. Maar zal het werk en de moeite van
de onderwijzeres vrucht dragen, dan moet er tucht heerschen
en dikwijls is het gebleken, dat bij eene les, waar de han-
den alleen bezig waren, de tucht geheel verdween. Daarom
gezorgd, dat ook bij de handwerken de geest van het kind
werkzaam is, dat eene opgewektheid onder het werk en
eene aangename afwisseling van bezigheden orde en tucht
handhaven.
Groote moeilijkheden rijzen dikwijls bij het klassikaal
onderwjjs in de nuttige handwerken, n. 1.: hoe kan men
zich overtuigen, dat het aangeduide begrepen is en wat moet
men de vlugge leerlingen laten doen, als de achterblijfsters
nog meer oefening noodig hebben ?
Als terechtwijzing bij de eerste moeielijkheid kan wellicht
dit dienen: heeft de onderwijzeres eenige malen de oefening
voorgedaan, dan laat zij eenige leerlingen, die zij daarvoor
uitkiest, eerst van de vlugste en daarna van de andere voor
de klasse komen, om bewijs te geven van het begrepen te
l'.ebben. Kunnen ze hiervan geen blijk geven, dan herhaalt
de onderwijzeres het nog eens en nog eens, totdat het
grootste gedeelte der leerlingen het begrepen heeft; daarna
kan pas elke leerling afzonderlijk de oefening uitvoeren. En