Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Ulz.
Kig. 117.
Daar de geheele groote hiel zelden geheel versleten is, is
het niet altijd noodig om den hiel geheel en al uit te tornen.
Men behoeft de kantsteken ook niet op naalden te nemen ;
men kan telkens, als men er aan toe is, een pluisje uit de
zijsteken wegtrekken en den steek door minderen er bij nemen.
Breit men een vierhoekig
stukje ergens in, dan tornt men
eerst de steken los, die opge-
nomen moeten worden, zoo ook
van boven, waar het moet
aangeniaasd worden.
Op zij wordt er zooveel van
het oude stukje aangelaten,
dat men een eindje kan om-
naaien, een zoompje van twee a drie steken. Men breit dan
het stukje in heen- en weergaande toeren en breit weer aan
het eind van eiken toer den laatsten steek met een lus van
het breiwerk samen ; men neemt evenw^el de lussen om den an-
deren toer, daar er anders te veel toeren zouden ingebreid wor-
Fig. 118.
den. Men moet evenwel een
toer minder breien, dan er uit-
getornd zijn, daar er een toer
aangeniaasd w^ordt.
Men kan ook een stukje
inbreien door met denzelfden
draad, waarmee men breit, op
zij twee of drie steken op het
breiw^erk over te mazen in eiken
toer, men kan dan na voltooiing
aan den achterkant alle draden
langs het breiwerk afknippen.
In tricot-goederen worden w^el nieuw^e stukjes ingemaasd,
in plaats van ingebreid. Men knipt een stukje, dat twee
inslagen breeder is dan het uitgeknipte stukje, naait dit aan
den eenen kant aan den rand van het goed met een stik-