Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
De vingers worden alle tot de vereischte lengte gebreid;
in de laatste 4 toeren worden de steken tot op zes steken
na weggeminderd, terwijl deze met een draad worden bij-
eengehaald.
POLSMOFJE MET INSTEEKTOEREN.
Dit mofje wordt in heen en weergaande toeren gebreid,
liet aantal opzetsteken wordt berekend naar de lengte van
den pols en de hand tot aan de vingers. Van deze steken
worden gebreid, voor den pols in een geribd patroon, de
overige voortdurend recht voor de hand. Heeft het mofje
de vereischte wijdte, gewoonlijk is het dan ongeveer een
vierkant, dan worden de steken van den pols met de daarbij
behoorende opzetsteken te zamen gebreid. Op de overige
steken wordt de duim gebreid; men kant daarvoor van de
bovenzijde af 'Z, der steken van de hand af, of breit die
met de opzetsteken samen, daarna zet men voor den duim
weer datzelfde aantal steken, of ^/g deel daarvan op.
De duim wordt nu met insteektoeren gebreid, door telkens
één steek aan de zijde van den pols te laten staan, totdat
men het aantal steken heeft overgehouden, dat men eerst
heeft opgezet, daarna breit men de steken weer met de
opzetsteken samen.
KNOOPSGATEN.
Somtjjds kan het gebeuren, dat er in breiwerk knoopsgaten
gebreid moeten worden; men heeft staande-, liggende en
schuine knoopsgaten. Voor de staande knoopsgaten breit men
eenige toeren heen en weer aan weerszijden van de plaats,
waar het knoopsgat komen moet; is dit lang genoeg, dan
worden de toeren van boven weer verbonden, zie fig. 106.
Voor het liggend knoopsgat worden in den toer zooveel ste-
ken afgekant, als de breedte van het knoopsgat vereischt;