Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
klinkje voor den duim. Men meerdert daartoe, evenals in den
dubbelen klink van eenen borstrok, maar om den anderen
toer, zooveel steken als van de opgezette steken bedraagt.
Heeft men dit geëindigd, dan neemt men de gemeerderde
steken afzonderlijk eu zet bij de reeds opgezette steken van
het wantje nog zooveel steken op als '/j van de steken van
den duim bedraagt en breit op die steken het wantje af,
zooals de lengte der vingers aangeeft; in de laatste 8 a 10
toeren sluit men den duimhandschoen door minderingen.
Om den duim te voltooien, neemt men de gemeerderde
steken en de lussen van de laatst opgezette steken en breit
in rondgaande toeren de lengte van den duim. In de laatste
toeren sluit men het duimpje tot op een steek of acht na,
die men met naald en draad bijeenhaalt.
VmGERllANDSCHOEN.
üe manchette van den vingerhandschoen wordt op dezelfde
wijze gebreid als die van de want. Zoo ook het overige
deel. Men breit evenwel, na den klink voor den duim ge-
maakt te hebben, den handschoen af tot op de hoogte der
vingers. Daar worden de steken in negenen verdeeld voor
de vier vingers, nadat men den handschoen dubbel gevouwen
heeft en den duim naar rechts of links gekeerd heeft, naar
gelang men den linker- of rechterhandschoen breit. Van
2 negende gedeelte, vlak tegenover den duim, breit men den
pink, nadat men naar den binnenkant nog een derde deel
van dat aantal steken meer opgezet heeft. Van het deel
vlak bij den duim breit met den wijsvinger, waarvoor men
'/a deel bij opzet. Van de beide andere vingers neemt men
het 2^/3 deel, dat aan de bovenzijde van den hanschoen en
van dat, hetwelk aan de benedenzijde van den handschoen
ligt, de helft der steken. Voor den middelvinger neemt men
daarbij de lussen van den wijsvinger en zet aan den tegen-
overgestelden kant nog evenveel steken op. Voor den vierden
vinger neemt men de lussen van den middelvinger en de pink.
De Visser & Tor, Nuttige Handw. 3e druk. 8