Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
HEERENMUTS.
Een heerenmuts kan men met den bol ot' met het wijde
gedeelte begianen ; het laatste is verkieselijker, omdat men
dan de wijdte juister kan nemen. Begint men evenwel de muts
met den bol, dan gebruikt men dezelfde ster als die van de
vrouwenmuts, maar met zeven punten; is deze geëindigd, dan
breit men eene pas van 12 centimeters ongeveer, dan een
eind recht van 7 a 8 centimeters, daarna keert men het werk
om en breit op den verkeerden kant eenen boord, die even
lang is als het eind recht. Men doet dit op den verkeerden
kant, omdat de boord wordt omgeslagen over het recht heen.
Begint men de muts aan den wijden kant, dan breit men
eerst den boord, daarna keert men het werk om en breit
een eind recht, zoolang als de boord en het pasje. De ster
kan men nu anders breien. Men verdeelt daartoe het aantal
steken in zeven en gesteld dat elk zevende deel eens 25
steken ware, dan zou men breien als volgt:
Ie toer omslaan, overhalen, 23 recht;
2e toer den omslag overbreien, overlialen, 22 recht;
3e toer den steek voor het overhalen op de vorige naald
steken; dan omslaan, overhalen, 21 recht;
4e toer den omslag overbreien, overhalen, 21 recht.
Zoo gaat men voort, tot de overhalingen bij elkaar komen,
dan kant men de muts af.
WANT OF DUIM HANDSCHOENEN.
Dezen handschoen breit men gewoonlijk van wol. Men zet
zooveel steken op, als voor de dikte van den pols noodig is,
breit eenige toeren 1 recht, 1 averechts, totdat men meent
dat de manchette lang genoeg is. Daarna breit men met 2
recht, 2 averechts een even lang eind als het eerste en
neemt dan de steken op fijnere naalden en breit het reeds
gebreide dubbel. Hiermee breit men eenige toereu om de
want om den pols te doen sluiten. Eenige toeren boven den
pols, daar waar de muis van de hand begint, begint men het