Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
meestal het een of ander open patroontje. Men breit het
pasje zoolang als de twee punten van het halsje breed zijn.
Zie fig. 103. Is het pasje klaar, dan neemt men de lussen
opzij op, en ook de steken van het halsje. Men breit nu
geheel in het rond, 5 toeren averechts, 1 toer omslaan
overhalen 3 recht, 2 toeren averechts; dit zijn de veter-
gaatjes voor het bandje. Het strookje wordt gebreid als volgt:
le toer ;
2e toer 2 reclit, 2 averechts;
3e toer |
4e toer ^ i'^cht, omslaan, 1 recht, 1 averechts, omslaan,
I 1 averechts;
5e toer |
6e toer ) ^ ^ ^-i^erechts;
7e toer 1 recht, omslaan, 1 recht, omslaan, 1 recht, 1
averechts, omslaan, 1 averechts, omslaan, 1 averechts;
8e toer I . _ .
„ , ' O reciit, O averechts.
9e toer I '
Hierna kan men de muts afkanten.
Somtijds breit men ook eenen anderen achthoekigen bodem.
Men zet daartoe 25—30 steken op; begint hetzelfde werkje
te breien, dat men in het pasje denkt te gebruiken en meer-
dert aan het begin van twee opeenvolgende toeren, terwijl
men den derden toer zonder meerdering breit. Men meer-
dert, totdat men 2 of 3 maal het aantal opzetsteken heeft.
Na deze meerderingen breit men evenveel toeren zonder
meerderen of minderen en daarna mindert men op het einde
van twee opeenvolgende toeren, terwijl men den derden toer
zonder mindering laat, totdat er evenveel steken overblijven
als de opgezette. Daarna neemt men alle lussen op, behalve
de opzetlussen en breit het pasje op dezelfde wijze als van
de andere muts. Hierbij behoort eene achthoekige teekening,
waarvan de helft af is. Zie fig. 103o.
Nadat men het randje met vetergaten er omheen gebreid