Boekgegevens
Titel: De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Auteur: Visser, W.H. de; Top, J.D.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1897
3e verm. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1233
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204893
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: textielkunst
Trefwoord: Handwerken, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De nuttige handwerken: handleiding ter beoefening der nuttige handwerken, hoofdzakelijk voor haar, die zich voor het examen wenschen te bekwamen
Vorige scan Volgende scanScanned page
101
den zijn, terwijl in het middelste van de drie ook nog een
naadje gezet wordt. Zoo heeft men dus in het geheel zes
naadjes iu het rond. Het gedeelte, dat zonder minderingen
boven den boord gebreid wordt, is ongeveer '/la van de ge-
heele lengte. De minderingen worden gebreid na het eerste
naadje en voor het derde naadje aan weerszijden, zoodat er
4 minderingen in het rond zijn, die zich aan het begin en
het eind van het middelste zesde deel bevinden. Men min-
dert zoolang, totdat het middelste zesde deel is weggemin-
derd; zoodoende heeft men '/j van de opzetsteken weggemin-
derd; men mindert zoo, dat het minderinggedeelte
negende deel van de geheele lengte beslaat. Zijn de minde-
ringen geëindigd, dan zet men het borstsplit en breit dan
nog '/.) van de lengte heen en weer in het rond; daarna
breit men de twee voorpanden en den rug afzonderlijk in
heen- en weergaande toeren voor het vormen van het arms-
gat, dat Vs van de geheele lengte is. De steken boven den
boord worden ook wel in vieren verdeeld na aftrekking van
de steken op de voor- en achterhelft. Er komen dan slechts
2 naadjes, één aan eiken kant, de minderingen worden bij
die naadjes geplaatst, als in het been van eene kous. In het
voorpand breit men klinken, die op verschillende manieren
kunnen gemaakt worden en in de streep, die langs het split
loopt, maakt men om de vijf naadjes vetergaten door omslaan
overhalen. De rug wordt een paar naadjes langer gebreid
dan de voorpanden. Zijn rug en voorpanden af, dan breit
men aan de buitenzijden de schouders, die 7 a 8 centimeters
breed moeten zijn ; in geen geval gebruikt men meer dan
van de steken tusschen armsgat en klink; de schouder
in zijn geheel is zoolang als het voorpand, meestal breit
men de helft op den rug en de helft op het voorpand en
maast het boven op den schouder aaneen. Wil men den hals
wat rond hebben, dan mindert men aan den binnenkant van
den schouder om den anderen toer 4 a 5 maal één steek
weg. De lussen, die langs de schouders loopen, worden op-