Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
82.
57. Het Middagmaal.
CVan Lummel. reeks. N». 43.)
Daar zie ik drie menschen. Het zijn een vader, eene moeder
en een zoon, geloof ik. De vader staat, de moeder en
de zoon zitten aan eene tafel. Zij bidden. Waarom ? —
Zij gaan eten. De tafel is gedekt. De moeder heeft
het tafellaken op de tafel gelegd. Toen heeft zij de
borden, vorken, messen en lepels klaar gelegd. Eindelijk
heeft zij de spijs en drank opgebragt. Welke spijs staat
daar klaar? — Welke drank is in die kan? — Ziet!
daar zit ook eene kat op den vloer. Zij ziet, dat het eten
op de tafel staat. De menschen hebben honger, — de
kat ook. Ik geloof, dat zij maauwt. Zij vraagt om wat
eten. Ik geloof, dat de kat moet wachten. Eerst eten de
menschen. Dan neemt de vrouw een bord, doet wat
eten daar op en geeft het aan de kat. Aan den muur hangt
•een kooitje met eenen vogel. Wat voor een vogel is dat? —
^ Ziet! hij vreet ook. Wat vreet hij? — Wat drinkt hij ? —
Na het eten zijn de menschen verzadigd.
Deze menschen zijn niet rijk, maar ook niet arm.
Zij hebben geene mooije kleederen aan, geene mooije
meubelen in de kamer, geene kostbare spijzen op de
tafel. Maar de menschen zijn tevreden en dankbaar.
Daarom smaakt het eten hun lekker, 's Morgens staan de
menschen op. Zij ontbijten. Zij gaan werken. De man
is een werkman. De zoon is een leerjongen. De moeder
maakt de kamer en de meubelen schoon en kookt het eten.
Om 12 ure scheiden de menschen uit. Dan is het middag.
Zij gebruiken het middagmaal. Dan gaan zij weder werken.
De moeder ruimt de tafel op en wascht de vaten, 's Avonds
gebruiken zij het avondeten, 's Nachts slapen zij.
OEFENINGEN,
1. Wie? Wat? Hoe? Watvoor? Welk?
Wanneer? Waar? Wat doet? Zie! — Ziet!
het eten smaakt mij, Uj hem,
haar, ons, hun.
2. Vragen: Noem 20 spijzen! Welke spijzen koopt
men bij den bakker? — bij den vleeschhouwer? — bij de
groenvrouw? — groeijen op het land? — in den tuin? —