Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
81.
56. Het Dienstmeisje bij den Haard.
(Beuqsma. Plaat 23. N». 1.)
Daar staat een dienstmeisje. Kent gij haar? — Zij
staat bij eenen haard. Zij ligt het deksel van eenen pot
op. In dezen pot zijn aardappelen. Het dienstmeisje heeft
de aardappelen geschild, gewasschen en in den pot gedaan.
Toen heeft zij den pot op het vuur gezet. Het vuur is
in eenen aschpot. Op den aschpot ligt eene treeft. Daarop
staat de pot met aardappelen. Deze pot is van koper, maar
de aschpot en de treeft zijn van ijzer. De aschpot staat
op een haardbankje en dit staat op den vloer. In de linker-
hand heeft het dienstmeisje eene vork. Daarmede zal zij
in de aardappelen prikken. Waartoe? — Het dienstmeisje
kookt de aardappelen. De aardappelen zijn eene spijs.
Kookt men alle spijzen ? — Kookt men ook dranken P —
Uit den' pot komt stoom. Het water wordt stoom. Deze
is heet. Wat nog meer is heet ? — Ik spreek tot het
dienstmeisje : pas op I — wees voorzigtig ! — brand - je (u)
niet ! Wat doet men in de aardappelen ? — Hoe smaken
aardappelen zonder zout? — Bij welke spijzen doet men
zout? — Wat stookt de meid onder den pot? Ik geloof:
hout en turf. Wat stookt men in de kagchel? — Hout,
turf en steenkolen zijn brandstoffen. Zij verbranden. Zij
worden rook, asch en kolen. Verbrandt de pot ook? —
De pot is een vat. Noem andere vaten !
OEFENINGEN.
1. Wie? — Wat? — wordt stoom; wordt ijsj
wordt rook, asch en kolen; wordt een man; wordt eene
vrouw; enz. —
Wat doet? Hoe? Watvoor? Welk? Waar?
2. Vragen. Welke vaten zijn van aarde? — van
hout ? — van glas ? — van blik ? — van ijzer ? — van
koper? Watvoor vaten zijn in de school? — in de keuken?
In welk vat doet men inkt? — melk? — boter? — suiker?
— water? — bier? — wijn? Welke vaten maakt de kuiper?
— de pottebakker? — de blikslager? — de glasblazer?
Wat wordt een kind ? — een meisje ? — een jongen ? — gij ?