Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
74.
49. De Hemel.
De hemel is hoog en wijd. Hij is boven mij en boven
ons allen. Hij is blaauw. Somtijds bedekken de wolken
den hemel; dan zien wij den hemel niet. Kunt gij nu
den hemel zien? — Zijn er nu wolken aan den hemel? —
De wolken zitten niet vast, maar zij drijven (zweven).
Ik zie aan den hemel de zon, de maan en de sterren. Ik
zie de zon bij dag, maar niet altijd. Ziet gij nu de zon ? —
's Nachts zie ik de zon niet. Ik zie de maan 's avonds ,
maar niet altijd. Hebt gij gisteren avond de maan ge-
zien ? — Ik zie de sterren 's avonds en 's nachts. Bij dag
zie ik de sterren niet. Ziet gij nu de sterren? — Vele,
vele sterren staan aan den hemel. Kunt gij de sterren
wel tellen? — God weet echter wel, hoeveel sterren er
zijn. Het regent, het sneeuwt, het hagelt, het bliksemt
van den hemel. Eegent het nu? — Wanneer sneeuwt het
dikwijls? — De hemel is helder, of betrokken. Hoe is de
hemel nu? — Hebt gij wel eens eenen regenboog gezien? —
De lieve God woont in den Hemel. Woont uw vader nu
in den Hemel? — Hiernamaals zal ik misschien in den
Hemel komen. Wie heeft den hemel geschapen?
OEFENINGEN.
Wie? Wat? Wat doet? enz.
50. De Zon.
De zon staat aan den hemel. Ziet gij nu de zon?-
Zij gaat op. Waar?— Zij gaat onder. Waar? — Zij
's morgens op, dan kan ik de zon zien. Zij gaat 's avonds
onder, dan kan ik haar niet zien. 's Nachts kan ik de
zon niet zien. Zij gaat zeer langzaam, zoo langzaam
als een horologie. De zon gaat op, dan is het licht op
de aarde. De zon gaat onder, dan is het donker op de
aarde. De zon schittert. Ik kan niet lang naar de zon
zien. Waarom niet? De zon verblindt de oogen. De
zon heeft geene oogen, geenen neus, geenen mond, geenen
baard. Zij heeft stralen, zonnestralen. Deze zijn warm.
De zon schijnt op de aarde. Zij maakt de aarde licht en