Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
89.
van leder? — zijn van linnen? Waarvan zijn mijne kleeding-
stiikken ? Welke kleedingstukken maakt de kleermaker ? — de
schoenmaker? — maken de vrouwen?— draagt men in den
zomer niet? Welk kleedingstuk heeft meer knoopen , dan het
vest? Voor wie zijn de omslagdoeken? — de mutsen? —
de vesten ? — de overhemden ?
48. De Kunstemaker.
(BedgsMA Plaat 38.)
Daar staat een kunstemaker. Hij staat niet in eene
kamer, maar in de open lucht. Hij speelt met drie ballen.
Deze zijn rond en ligt. De kunstemaker heeft eenen bal
in de regterhand. Hij houdt de linkerhand op. Twee ballen
zijn in de hoogte. De kunstemaker heeft ze in de hoogte
geworpen. Hij zal den anderen bal ook in de hoogte wer-
pen. De ballen blijven niet in de hoogte, maar vallen
neer. De kunstemaker zal ze vangen. Hij zal ze weder
in de hoogte werpen en weder vangen. De bal is een stuk
speelgoed. De kunstemaker heeft een vreemd pak aan.
Dit zit strek aan het lijf. Het is van gebreid katoen (tricot).
De kunstemaker heeft eene muts met eene veer op. Hebt gij
wel eens eenen kunstemaker gezien? — Waar? — Wanneer?
OEFENINGEN.
1. Wie? Wat? Watvoor? Welk? Waarvan?
Waar? Wat doet? Waarmede? met den bal,
met den tol? enz.
2. Vragen: Wie staat daar? Waar staat hij? Wat
doet hij? Wat heeft hij gedaan? Wat zal hij doen?
Waarmede speelt gij? Waarmede spelen de meisjes? — de
jongens? — de mannen? Hebt gij eenen bal? Wat voor
ballen zijn er? Welke ballen zijn harder, dan de lederen
bal? Wie maakt de ballen? Speelt gij gaarne met eenen
bal? Wat kunt gij met den bal? Waar ziet de kunstemaker
naar? Waarmede vangt hij den bal? Wat is de bal?
Noem ander speelgoed! Wat heeft de kunstemaker aan?
Waarvan is dat pak?