Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
OEFENINGEN,
1. Wie? Wat? Hoe? Watvoor? Welk?
Wat doet? enz.
2. Beschrijf een zeker huis ! (1)
44. De Secretaire.
(Van Lümmei. 1ste Keeks. Plaat 5.)
Hier staat eene secretaire (schrijfkast). Zij is lang,
breed en hoog. Zij heeft zes zijden, namelijk: de voor-
zijde, de achterzijde, de bovenzijde, de onderzijde, de
regterzijde en de linkerzijde. Welke zijden kunt gij zien? —
Welke niet? — Op de secretaire staat een doosje. Boven
haar hangt eene schilderij. Naast haar staat een stoel. De
secretaire heeft vier pooten. Deze zijn zeer klein. Zij
zitten niet van boven maar van onderen. Twee pooten
zitten van voren, en twee pooten van achteren; twee poo-
ten zitten regts en twee links; de voorpooten, de achter-
pooten; de regterpooten, de linkerpooten ; de regtervoorpoot,
de linkervoorpoot; de regterachterpoot, de linkerachterpoot.
Welke pooten kunt gij zien en welke niet? - De secretaire
heeft acht hoeken. Hoeveel hoeken kunt gij zien en hoeveel
niet? — De secretaire heeft twee deurtjes: het regterdeurtje
en het linkerdeurtje. Beide deurtjes zijn van voren, niet
van achteren. Beide zijn toe. De secretaire heeft ook
eene klep. Deze kan men op- en neerslaan. Zij is nu
toe. De secretaire heeft ook eene lade. Deze kan men
open- en toeschuiven. Zij is nu toe. De deurtjes zitten
van onderen, de klep in het midden en de lade van boven.
Wat is er in de secretaire? — Achter de deurtjes liggen
planken. Wat ligt er op die planken? Ik weet het niet.
Achter de klep zijn laadjes. Wat legt men indelaadjes? —
Wat ligt er in die laadjes? Dat weet ik niet. Wat ligt
er in de lade? Dat weet ik ook niet. De secretaire heeft
drie sleutelgaten. Er steken geene sleutels in. Waarom
sluit men de deurtjes, de klep en de lade ? — Ik kan de
sloten niet zien. De secretaire is van mahonijhout. De
schrijnwerker heeft haar gemaakt. De sloten en de sleutel
(1) Het schoolgebouw, het woonhuis van den leerling, of een ander
huis, dat hij ziet bij het beschrijven, of hem goed bekend is.