Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
61.
zwarte bessen den mond blaauw maken. Welke bessen eet
gij zeer gaarne? — Welke bessen smaken niet lekker? —
De lieve God laat de bessen groeijen. De meeste bessen
groeijen aan struiken. Hoe heeten die struiken ? De bessen
zijn vruchten. Noem andere vruchten ! Zijn er nu aalbessen? —
Wanneer zijn zij rijp? — Wanneer zijn de aardbeijen rijp? —
Onrijpe bessen mag ik niet eten. Waarom niet? — Er
zijn ook giftbessen. Hebt gij al giftbessen gezien? — De
giftbessen durf ik nooit eten. Waarom niet? —
OEFENINGEN.
1. Wie? Wat? Watdoet? Hoe? enz.
Wat voor eene bes? eene onrijpe bes.
Wat voor bessen? onrijpe bessen.
Welke bes? de onrijpe bes.
Welke bessen? de onrijpe bessen.
enz. enz.
2. Noem driederlei bessen! Noem zesder lei struiken!
Noem velerlei vruchten!
Hoevelerlei bessen groeijen in den tuin? Hoevelerlei
bessen maken den mond blaauw? Hoevelerlei bessen maken
den mond groen?
3. Vruchten: De appels, de peren, de kersen, de
pruimen, de abrikozen, de perziken, de mispels, de aal-
bessen, de vlierbessen, de kruisbessen, de giftbessen, de
aardbeijen, de druiven, de meloenen, de okkernoten, de
hazelnoten, de erwten, de boonen, de boekweit, de tarwe,
de rogge, de gerst, de l^aver, de eikels.
Elke, iedere vrucht . . niet elke, niet iedere vrucht.
Alle vruchten.......niet alle vruchten.
Geene vrucht.
Eenige vruchten.....andere vruchten.
Vele vruchten.......enkele, weinige vruchten.
De meeste vruchten .... de minste vruchten.
Vragen. Welke vruchten laat God groeijen? — De
meeste vruchten eten de menschen. Welke vruchten? —
De minste vruchten eten de menschen niet. Welke vruch-
ten? Welke vruchten vreten de paarden? — de varkens? —
de hoenders? — Niet alle vruchten groeijen aan boomen;