Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
54.
2. Noem 4 visschen !
3. Vragen. Welke visch heeft vleugels? Welke vis-
schen hebben vinnen? Welke visschen hebben sclmbben op
den bast? Welke visschen leven in het water? Welke vis-
schen verkoopt de vischvrouw ? Welke visschen kunnen
zwemmen? Welke visschen hebben kieuwen? Welke visschen
hebben graten ?
32. De Vlieg.
(Van Lummel. 2aè reeks. Iste Afd. Plaat 12.)
Daar zit eene vlieg. Zij ziet er zwart uit. Zij heeft zes
pooten en twee vleugels; daarom kan zij gaan en vliegen.
De vlieg is niet zoo groot, als deze afbeelding. Hoe groot
is zij? Is dè vlièg een vogel? Neen, zij is een insekt.
Noem insekten! Hebt gij al eene vlieg gezien ? — Zijn
er nu vliegen in de kamer? — Houd ik veel van de
vliegen ? — Ben ik bang vóór de vliegen ? — Ik wil gaarne
de vlieg vangen ; maar zij vliegt weg. Eten wij de vliegen? —
Welk dier vreet Vliegen? — In den Winter zijn er geene
vliegen, maar in den zomer wel. Welk dier gelijkt op
de vlieg? — Wie heeft de vliegen geschapen? — Wat heeft
God de vliegen gegeven? — Mag ik de vüpgen dooden? —
Moogt gij de vleugels vatt de vliegen uittrekken? — Waar-
om niet? — De vlieg voelt pijn. Voel ik ook pijn? — De
vlieg voelt pijn, zoowel als ik. Ik wil de vliegen niet
kwellen. Gij zult de vliegen niet kwellen! Kwel nooit
een dier, het Voelt pijn, zoowel als gij! Men slaat de
vliegen dood met eenen vliegeklap. Men zet vliegegift in
de kamer. De vliegen zuigen dat op, en sterven.
OEFBUriNGEÏT.
1. Beschrijf de mier! (op dezelfde plaat.)
2. Wie? Wat?
Wat doet? Gij zult niet kwellen! Kwel niet!
Wanneer? nu, heden, van daag; —verleden, vroeger ,
gisteren , eergisteren ; — toekomend, later, morgen, over-