Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
52.
vogels eet men niet. Welke vogels eet men? Welke vogels
eet men niet? Vele vogels kunnen zwemmen, andere vogels
kunnen niet zwemmen. Slechts één vogel kan niet vliegen,
alle andere vogels kunnen vliegen. Welke vogel kan niet
vliegen? Welke vogels hebben vleugels? Enkele vogels
hebben eene kroon op den kop. De meeste vogels zien er
bont uit. Welke vogels zien er bont uit? — zien er zwart
uit? — zien er geel uit? — zien er wit uit? Vele vogels
leven hier, andere vogels leven niet hier. Welke vogels
leven niet hier? Vele vogels leven bij ons in het huis, of
in den stal; andere vogels leven bij ons in het wild.
Welke vogels leven bij ons in het wild ? Welke vogels leven
bij ons in het huis of in den stal? Welke vogels geven ons
eijeren? Ia de vlieger ook een vogel?
30. De Slang.
(Van Lukmel. 2iie reeks. 1««» Afd. Pl«at 16.)
Daar ligt eene slang. Zij is lang en ziet er bont uit.
Deze slang heeft geene pooten De meeste slangen hebben
geene pooten. Daarom kunnen zij niet gaan. Zij kruipen.
God heeft de slang geschapen. Zij heeft eenen kop en
eenen staart. Zij heeft eene huid. Zij heeft eene tong.
Deze is lang, dun en spits. Zij heeft vele tanden; daarom
kan zij bijten. De tanden zijn spits. Ik ben bang voor
de slang. Waarom ? Zij kan mij bijten. De slang is
geen vogel, ook geen zoogdier, maar eene amphibie. IMoem
amphibiën! Houd ik veel van de slangen ? — Mag men de
slang aanvatten? — Waarom niet? — De slang is niet
warm, maar koud, zooals de kikvorsch. Wij eten de slangen
niet. Heb ik wel eens eene slang gezien? Op welk dier
gelijkt de slang?
OEFENINGEN.
1. Wie?
één. twee en meer.
ik — mij......wij — ons.
enz. enz. enz. enz.