Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
48.
28. Het Paard.
(Van Lummel. reeks, Plaat 22.)
Daar staat een paard. Het staat buiten op het veld.
Ik zie, dat het vrij is. Het is bruin, maar niet alle paarden
zijn bruin; vele paarden zijn zwart; vele paarden zijn grijs,
Is een paard ook wel groen? ■— Ik weet, dat het paard
groot is. Hoe groot is het paard? — Het is sterk. Het kan
den wagen trekken. Het heeft twee coren en twee oogen.
Het kan hooren en zien. Het heeft manen en eenen staart.
Deze is langer dan gene. Het heeft vier pooten en vier
hoeven. Twee pooten zijn van voren en twee pooten zijn
van achteren. De voorpooten — de achterpooten. Ik heb
twee armen en twee beenen. Deze zijn van onderen, gene
zijn van boven. Het paard heeft haar op den bast. Het
paard kan slaan. Ik zeg: Wees voorzigtig! Ga niet digt
bij het paard! Het paard leeft. Het is een dier. Het
veulen zuigt. Het is een zoogdier, geen vogel. Noem
zoogdieren! God heeft het paard geschapen. God heeft
het paard een ligchaam en eene ziel gegeven. Het paard
gelijkt op den ezel. Het paard loopt harder, dan de ezel.
Het paard kan zeer hard loopen. Bevalt u het paard? — Ik
heb geen paard. Heeft mijn vader een paard? Wil ik gaarne
een pard hebben? — Een paard kost veel geld. Op het land
groeijen planten. Daar staat een hek. Het hek is van hout.
Ik geloof, dat het hek toe is,
OEFENINGEN,
1, Beschrijf den bok! (Van Lummel, reeks,
Iste Afd, PI. 21.)
2. Wie? Wat? enz.
Wat doet? (') heeft geschapen, heeft gegeven.
Het paard - het - een, enz. welk paard - de, enz. welke paarden - zij
enz.................enz.
(1) Van nu af strekke men de vervoeging der werkwoorden uit over
den tegenw., den volm. verl. en den toek. t(jd der aantoonende wijs.