Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
46.
kan de visch? Wat kan ik? Kan de visch gaan? Waarom
niet? Waar leven de visschen?
4. Beschrijf den baars I (Vak lummel. Siie reeks. Plaat 14.)
26. De Spin.
(Van Lummel. 24« reeks. Plaat 12.)
Dat is eene spin. Ik zie, dat zij bont is. Ik
geloof, dat zij leeft. Ik zie, dat zij eenen kop en acht
pooten heeft. De pooten zijn van voren. Zij zijn lang.
De spin kan loopen. Ik voel, dat zij koud is. Zij is nooit
warm. Ik weet, dat zij in den tuin, op den boom en in
het huis leeft. Ik zie, dat zij aan een spinrag hangt. Ik ge-
loof, dat zij spint. Ik geloof, dat zij een spinneweb maakt.
Het rag is fijn. In den tuin is veel spinrag. Eet gij de
spin ? — De spin vreet muggen, vliegen en wespen. Eet
gij ook muggen, vliegen en wespen ? — De spin is een dier;
zij is geen visch, maar een insekt. Noem insekten! Zijn
er nu spinnen? — Houdt gij veel van de spinnen?
OEFENINGEN.
1. Dat is eene vlieg. Ik —, dat de spin bont is.
Ik geloof, dat zij dood is. De pooten zijn van achteren.
Zij zijn kort. De spin kan vliegen. Ik voel, dat zij warm
is. Ik —, dat zij in den tuin, op den — en in — huis leeft.
Ik zie — zij aan een spinrag — Ik —, dat zij spint.
Het rag is dik. In den tuin zie ik veel spinrag. De spin
is een vogel. De spin vreet schapen, vliegen en wespen.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
De spin . . zij, deze spin, . . deze, enz.
enz............enz.
3. Wat zie ik van de spin? Wat weet ik van de
spin? Wat geloof ik van de spin? Wat voel ik aan de
spin? Wat heeft de spin? Waar zijn de pooten? Hoe