Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
45.
Wat beu ik? Hoeveel pooten heeft de kikvorsch? Wat
is langer: een voorpoot, of een achterpoot? Wat is korter:
een voorpoot, of een achterpoot.
4. Beschrijf de pad ! (Van lummel. 2de reeks. Plaat 16.)
25. De Schol.
(Van Lummel. s^e reeks. Plaat 13.)
Dat is eene schol. Ik zie, dat zij leeft. Ik zie, dat
zij eenen kop, eenen rug, vinnen, eenen staart, twee
oogen en twee kieuwen heeft. Op den bast heeft zij
schubben. Ik voel, dat zij altijd koud is. Zij is nooit
warm. De menschen eten de schol. Eet gij gaarne
schol? — Men kookt, bakt en droogt de schol. De schol
is een dier. Zij is geene amphibie maar een visch. Noem
visschen! De visschen hebben graten. Deze zijn scherp.
Wees voorzigtig! De visschen leven in het water. Zij kun-
nen zwemmen. Zij kunnen niet gaan. Waarom niet? Zij
hebben geene pooten.
OEFENINGEN.
1. Dat is eene schol. Ik —, dat zij leeft. Ik zie, —
zij eenen kop, eenen rug, vinnen, eenen staart, twee
oogen en twee kieuwen — Op den bast heeft zij schubben.
Ik —, dat zij altijd koud is. Zij is — warm. De men-
schen eten de schol niet. Men kookt, bakt en droogt
de schol. De schol — een dier. Zij is geene amphibie,
maar een vogel. De visschen hebben vederen. Zij kunnen
zwemmen. Zij kunnen gaan.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
De schol . . zij, deze schol . , deze, enz.
enz.............enz.
3. Vragen: Wat zie ik op de plaat? Wat voel ik
aan de schol? Wat heeft de schol? Wat heb ik? Wat