Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
59.
De kalkoenen hebben niet vier pooten, maar twee pooten.
Zij hebben geene hoeven, maar teenen. Hoeveel teenen heb-
ben zij ? — Hoeveel teenen zijn van voren ? — Hoeveel teenen
zijn van achteren? — Hoeveel teenen heb ik? — De kalkoenen
liebben twee oogen; zij zien. Zij hebben twee vleugels; zij
kunnen vliegen. Zij hebben geene wol, maar vederen op
den bast. Ik heb kleederen aan. Deze kalkoen pronkt.
De kalkoenen hebben eenen snavel; zij kunnen pikken.
Zij hebben eenen kam op den kop; deze is rood. Zij
zijn vogels. Noem vogels! Zij leggen eijeren. De kal-
koenen leven. Zij zijn dieren. Noem dieren! Ginds staan
twee kinderen. Deze hebben eenen stok in de hand. Ik
geloof, dat zij op de kalkoenen passen. Ginds zie ik eene
hofstede. Ik geloof, dat de kinderen op de hofstede wonen.
Woont gij ook op eene hofstede? — Zijn er hofsteden in
de stad. — Waar zijn vele hofsteden?
OEFENINGEN.
1. Ik zie daar vele schapen. — loopen — een land.
De kalkoenen hebben vier pooten. Zij hebben hoeven. Zij
hebben twee oogen; zij — Zij hebben twee vleugels, zij —
vliegen. Zij hebben haar op den bast. Deze kalkoen pronkt.
De kalkoenen — eenen snavel. Zij leggen — Zij hebben
eenen kam — den kop. Zij zijn — Zij zijn dood. Ginds —
twee kinderen. Ik geloof, — zij op de kalkoenen — Ik —,
dat zij op de hofstede wonen.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
De stok . . hij, deze stok . . deze, enz.
3. Vragen : Waar loopen de kalkoenen ? Wat doet een
kalkoen ? Wat kunnen de kalkoenen ? Wat hebben de kal-
koenen? Wat doen de kinderen? Waar wonen de kinderen?
4. lleschrljf de fazanten ! (Platen van scholz. N". 285.)