Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
42.
de wol wit is. Hfit schaap heeft eenen staart. Deze is lang.
Het schaap stoot niet, het bijt niet, het krabt niet, het
slaat niet, het is zachtaardig en goed. Ben ik zoo zacht-
aardig, als het schaap ? — Het leeft. Het is een dier. Noem
dieren! Is het vloervarken een dier?—Ik zie, dat daar gras
groeit. Dit is groen. Ik zie ook bloemen. Deze zijn rood.
De schapen zullen dit gras vreten. Zij vreten nu niet.
Zij kunnen vreten en blaten. Kan ik ook blaten?
OEFENINGEN,
1. Daar zie ik een huis, een hek en paarden. De
hut is van hout, en het hek is van steen. Daar hangen
vier doeken. De schapen staan op de straat. Ik —, dat
hier een schaap — , en een schaap — Ginds loopen vier scha
pen. Het schaap heeft — pooten als de koe; maar de
pooten van het schaap zijn dunner — de pooten van de
koe. Het schaap heeft zooveel ooren — de koe. Het schaap
heeft geene hoeven. Deze zijn — Het schaap heeft — op
den bast. Ik geloof, dat de wol wit is. Het schaap stoot,
bijt en krabt. Het is wild. Het schaap is dood. Het —
een dier. Ik zie, — daar gras — De schapen vreten nu.
Zi.] blaten nu ook. Ik kan ook blaten.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
Het schaap .. het, dit schaap ... dit, dat schaap ... dat.
De schapen . . zij, deze schapen . . deze, die schapen .. die.
enz.................enz.
3. Waar zijn de schapen? Wat heeft meer pooten : eene
koe of een schaap? Wat doet het schaap niet? Hoe is het
schaap? Wat is het schaap. Wat ben ik? Wat kan het
schaap ? Wat kan ik ?
23. De Kalkoen.
(Platen van Jos ScHoLz. N". 58.)
Ik zie daar vele kalkoenen. Deze loopen op een land.