Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
Hoe ligt? — ligt, — een veertje.
— zwaar ? — zwaar. — lood.
— rond? — rond. — een bal.
— dun? — dun. — vloeipapier.
— dik? — dik, — eene plank.
— regt? — regt, . — eene kaars.
— krom? — krom, — een hoepel.
— dom? — dom, —, een ezel.
Hoeveel? zoo veel, als haren op het hoofd.
-De koe . . . zij, deze koe. . . deze, die koe . . . die.
De koeijen. . zij, dezekoeijen . deze, die koeijen . die.
De berg. . . hij, deze berg . . deze, die berg . . die.
Debergen. . zij, deze bergen . deze, die bergen . die.
Het kalf . . het, dit kalf. . . dit, dat kalf. . . dat.
De kalveren . zij, deze kalveren . deze, die kalveren, die.
De zijde . . zij.
deze ziide . . deze, Jziide.
•' ' genei •'
enz.
die.
gene.
enz.
3. Vragen:' Wat is grooter: de koe, of het kalf? Wat
is kleiner: de koe, of het kalf? Wat is jonger: de koe, of
het kalf? Wat is ouder : de koe, of het kalf? Wat is ster-
ker : de koe, of het kalf? Wat is zwakker: de koe, of het kalf?
Wat is hooger, dan de kerk ? Wat is hooger, dan de toren ?
22. De Schapen.
(Platen van Jos. Scholz. N". 158.)
Daar zie ik eene hut, een hek en schapen. De hut is
van steen , en het hek is van hout. Tegen de hut groeit
een druivenwingerd. Daar hangen twee doeken. De doeken
hangen over een touw. Zij moeten droogen. Een doek is wit
en een doek is rood. De schapen zijn buiten op eenen berg. Ik
zie, dat hier een schaap loopt en een schaap staat. Ginds
loopen nog twee schapen. Het schaap heeft zooveel pooten,
als de koe; maar de pooten van het schaap zijn dunner, dan
de pooten van de koe. Het schaap heeft zooveel ooren, als de
koe. Het schaap heeft hoeven en de koe ook. De hoeven zijn
zwart. Het schaap heeft wol op den bast. Ik zie, dat