Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
38.
niet in deze
deze kamer.
kamer. Waarom niet? Er is geen bed in
OEFENINGEN.
1, Dat is een huis. Ik zie, — de kamer muren
heeft. Eenen muur — ik niet zien. De muren zijn van
hout, maar de lambrizering is van steen. Ik —, dat de
kamer eenen zolder heeft. Ik —, dat de zolder wit is. Voor
deze ramen — valgordijnen en schuifgordijnen. De schuif-
gordijnen hebben franje, de valgordijnen hebben geene fran-
je. — de deur ligt eene mat. — den muur — een spiegel.
De spiegel is rond en van hout. De lijst is van hout. Aan
den muur hangen twee — Achter de secretaire staat een
doosje. De tafel staat op een kleed. Eene lamp staat op
den grond. De lamp brandt. Ik — de lamp ook in den
spiegel. Ik —, dat de kamer eenen schoorsteen heeft. Ik
zie — mensch — de kamer.
2. Wie? Wat? Wat doet? enz.
De kamer
enz. , ,
zij, eene, enz, deze, die kamer, enz.
3. Vragen: Wat zie ik van de kamer? Wat zie
ik niet van de kamer? Wat geloof ik van de kamer? Wat
zie ik van de lamp? Waarom brandt de lamp niet? Wat
doet de spiegel? Hoeveel menschen zie ik in deze ka-
mer? Slapen de menschen in deze kamer? Eten de men-
schen in deze kamer? Woont gij in eene kamer? Hoe
veel kamers hebt gij te huis? Hebt gij te huis stoelen,
tafels, schilderijen en eene secretaire?
21. De Eoe en het Kalf.
(Platen van Jos. Scholz. N". 72.)
Daar staan eene koe en een kalf. Zij staan buiten
op eenen weg. De koe loeit. Ik geloof, dat zij het kalf
roept. Dit komt naar de koe. Het zal zuigen. Wie
zuigt ook? — De koe is de moeder van het kalf. Dit