Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
37.
3. Vragen: Wat zie ik van het huis ? Wat weet ik
van het huis? Wat geloof ik van het huis? Heb ik een
huis? Heeft mijn vader een huis?
20. De Eamer.
(Van Lummel. 1"' reeks. Plaat S.)
Dat is eene kamer. Deze kamer is groot en vierkant.
Tk zie, dat zij muren heeft. Drie muren kan ik zien.
Eenen muur kan ik niet zien. Waarom niet? Ik sta voor
dien muur. De kamer lieeft vier muren. Zij hebben eene
lambrizering. De muren zijn van steen, maar de lambrize-
ring is van hout. Ik zie, dat de kamer eenen zolder heeft.
Ik zie, dat deze zolder wit is. Ik zie, dat de kamer twee
ramen heeft. De ramen zijn toe. Schuif de ramen open!
Voor deze ramen hangen valgordijnen en schuifgordijnen.
De valgordijnen hebben franje, de schuifgordijnen hebben
geene franje. De ramen hebben blinden. De blinden zijn
open. Doe de blinden toe! Ik zie, dat de kamer eene deur
heeft. Deze deur is toe. Doe de deur open! Zij heeft
eenen knop. Voor de deur ligt eene mat. Waarvan is
deze mat? Ik weet het niet. Waarom niet? Ik kan het
niet zien. Aan den muur hangt een spiegel. Deze spiegel
is vierkant en van glas. Hij heeft eene lijst. Deze lijst
is verguld. Aan den muur hangen twee schilderijen. Deze
schilderij is een portret. Die schilderij is een landschap.
De schilderijen hebben eene lijst. Deze lijst is zwart. Die lijst
is verguld. Ik zie, dat er in de kamer stoelen, eene tafel
en eene secretaire staan. Deze secretaire heeft eene lade,
eene klep en twee deuren. De secretaire is van mahonijhout.
Op de secretaire staat een doosje. De tafel staat op een
kleed. Het kleed ligt op den vloer. Eene lamp staat op
de tafel. Deze lamp heeft eenen voet, eenen ballon en
een glas. Onder deze lamp ligt een lampekleeilje. De
lamp brandt nu niet. Waarom niet? — Steek de lamp aan !
Ik zie de lamp ook in den spiegel. De spiegel glimt.
Waarom? Omdat hij glad is. Ik geloof, dat de kamer
eenen schoorsteen heeft. Ik kan den schoorsteen niet zien.
Waarom niet? — Ik zie geen mensch in deze kamer. Ik
geloof, dat de menschen in deze kamer eten. Zij slapen