Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
36.
aan den haard is. Het huis heeft eene lijst. Twee ramen
hebben zes ruiten. Vijf ramen hebben vier ruiten. De ra-
ramen hebben een kozijn. De ruiten zijn van glas. De
lijst, de kozijnen en de deuren zijn van hout. De gordij-
nen zijn van linnen. De schoorsteenen zijn van steen. Zij
zijn vierkant. Daar is een gat. Voor het gat zit een roos-
ter. Het huis heeft eene stoep. Deze stoep is van steen.
Voor het huis staat een paal. De paal is ook van steen.
Het huis heeft een naambordje en eene bel. Op het naam-
bordje staat een naam. Het huis heeft vier muren. Ik kan
twee muren zien. De muren staan regt, maar het dak ligt
schuins, Tk weet, dat het huis kamers, eenen zolder, eene
keuken, eenen kelder en trappen heeft. Wie woont in dit
huis? Ik weet het niet. Waarom niet? Ik kan den naam
op het naambordje niet lezen.
OEFENINGEN,
1. Voor het huis is een tuin. Ik geloof, — de tuin
bij het huis behoort. In den tuin — eene ry boomen.
Ik —, dat de boomen hoog zijn. Het huis heeft eene
heining. Ik geloof, dat het huis wit is en een dak heeft.
Op het dak liggen twee rijen pannen. Deze pannen zijn
zwart. Zij liggen achter elkander. Twee ramen zijn boven.
Twee ramen zijn op zijde. Ik weet, — er vuur aan den
haard — De ruiten zijn — glas, — het gat zit een rooster.
Ik —, dat het huis kamers, eenen zolder, eene keuken,
eenen kelder en trappen heeft, De muren staan schuins,
maar het dak ligt regt,
2. Wie? Wat? enz.
Wat doet?
Het huis heeft een dak. — Ik zie, dat het huis een dak heeft,
enz.................enz.
Doe de deur open ! Doe de deur toe I
Het huis — het, een, enz. dit, dat huis, enz.
De tuin — hij, een, enz, deze, die tuin, enz.
De rij — zij, eene, enz, deze, die rij, enz.
enz...............enz.