Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
35.
De ketel heeft een hengsel, eene tuit, een deksel.
Ik zie, dat de ketel een hengsel, eene tuit, een dek-
sel heeft.
De tuit heeft een klepje.
Ik zie, dat de tuit een klepje heeft.
De ketel is leeg?
Ik geloof, dat de ketel leeg is.
De ketel is niet van hout, enz.
Ik weet, dat de ketel niet van hout, enz., is.
De ketel is zwaar.
Ik weet, dat de ketel zwaar is.
De ketel — hij — een enz.
enz. ....... enz.
De klep — het klepje,
enz.....enz.
3. Vragen: Wat is dat? Wat zie ik van den ke-
tel? Wat weet ik van den ketel? Wat geloof ik van
den ketel?
19. Het Huis.
(Van Lummel. 1"« reeks. Plaat 4.)
Daar staat een huis. Bij het huis is een tuin. Ik
geloof, dat de tuin bij het huis behoort. In den tuin
staat eene rij boomen. Ik zie, dat de boomen hoog zijn.
De tuin heeft eene heining. In de heining is eene deur.
Het huis heeft ook eene deur. Deze deur is toe. Die
deur is open. Deze deur is groen Die deur is bruin.
Doe deze deur openl Doe die deur toe! Ik zie, dat het
huis wit is en een dak beeft. Dit dak ligt op het huis.
Op het dak liggen vele rijen pannen. Deze pannen zijn
rood. Zij liggen tegen elkander. Het huis heeft ra-
men. Twee rijen ramen heeft het huis. Ik zie twee ramen
beneden en vier ramen van boven. Deze ramen hebben
gordijnen. Die ramen hebben gordijnen en hordetjes. Ik
zie één raan» op zijde en één raam in het dak. Dit raam
heeft geene gordijnen. Dat raam heeft wel gordijnen. Het
huis heeft drie schoorsteenen. Deze twee schoorsteenen roo-
ken niet. Die schoorsteen rookt. Ik weet, dat er vuur
3*