Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
34.
18. De Ketel.
(Van Lummel. 1»'= reeks. Plaat 38.)
Dat is een ketel. Ik zie, dat hij staat. Hij is rond
en rood; — ziet gij (') wel? — Ik zie, dat hij een
hengsel, eene tuit en een deksel heeft. Hij heeft ook
eenen bodem. Ik kan dezen bodem niet zien. Waarom
niet? De ketel staat op den bodem. Ik zie, dat de
tuit een klepje heeft. Dit klepje zit aan een scharnier; —
ziet gij wel? — Ik kan dit klepje op- en neerslaan. Het
hengsel zit aan twee ooren. Ik kan het hengsel ook op-
en neerslaan. Op het deksel zit een knopje. Ik geloof,
dat de ketel leeg is. Gelooft gij dat ook? — Ik geloof,
dat de ketel niet oud, maar nieuw is. Gelooft gij dat
ook? — Ik weet, dat hij niet van hout, niet van steen,
maar van koper is. Kan ik den ketel opligten? — Ik weet,
dat de ketel zwaar is. Weet gij wd, dat de ketel
duur is? — Hoeveel kost hij wel? — Heeft uwe moeder
eenen ketel?
OEFENINGEN.
1 Dat is een ketel. Ik zie, — hij staat. Hij
is vierkant en rood. Ik zie, — hij een hengsel, eene tuit
en een deksel — Hij heeft geenen bodem. Ik kan den bodem
zien. De ketel staat op den bodem. Ik zie, dat--een
klepje — Dit klepje zit aan den bodem. Ik — dit klepje
op- en — slaan. Het hengsel zit aan twee oogen. Ik kan
dit hengsel niet op- en neerslaan. — het deksel zit een
knopje. Ik weet, dat de ketel leeg is. Ik —, dat de
ketel niet oud, maar nieuw is. Ik —, — hij niet van —,
niet van —, maar van — is. Ik weet, dat de ketel — is.
Mijne moeder heeft geenen ketel.
2. Wie? Wat? enz.
Watdoet?
Ik zie, dat — Ik geloof, dat — Ik weet, dat —
De ketel staat.
Ik zie, dat de ketel staat.
(1) Daar ik betrekking heeft op den lezer, moet gij een' medeleerling
of den onderwijzer zelf, die bfl het lezen tegenwoordig is, aanduiden.
(2) Oefening 1 en 2 der vorige les zamengevat.