Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
49.
draad is vau koper. De jufvrouw borduurt op eene plank.
Zij borduurt met eene naald en draad. Zij heeft een
kapsel om den hals. Zij heeft een strikje op het hoofd.
Zij heeft eene japon aan. Tn den rok zijn plooijen. De
jufvrouw heeft krullen. Ik heb krullen. Het borduurraam
is bekleed met trijp. Ik heb ook een borduurraam.
2. De stoel staat —■ — grond. Achter den stoel staat —
Voor — jufvrouw staat — borduurraam. Dit borduur-
raam — van — jufvrouw. Zij heeft eene — en eenen draad —
de hand. De draad--het oog--naald. Deze draad
is — wol, — van zijde. De jufvrouw heeft een kapsel--
hoofd. Zij heeft — krullen, — opgestreken haar. Zij heeft
eenen ketting — den hals en een strikje — de borst. Zij
heeft — japon — De — heeft mouwen. — de mouwen
zitten strikken. — den rok zijn plooijen. De leuning en
de zitting — bekleed — trijp. Het borduurraam heeft —
leuning en — zitting, maar — pooten.
3. Wie? Wat? Hoeveel? Hoe? Wat doet? Waar
Waarvan? van Wie? van de jufvrouw.
jufvrouw - zij - eene, enz. deze jufvrouw /jufvrouwen)
:strik -hij-een, enz. deze strik de, enz. deze/strikken |zij.
et lijf -het-een, enz. dit lijf (lijven )
3nz. ... ...............enz.
De strik — het strikje
enz. — enz.
4. Vragen: Wie zit daar? Waarop zit de jufvrouw?
Waarop staat deze stoel? Wat staat acliter den stoel? Waar
staat het borduurraam? Van wie is dit borduurraam? Heb
ik ook een borduurraam? Wat heeft de jufvrouw in de hand?
Waarvan is deze draad? Wat doet de jufvrouw? Wat
maakt zij? Waarop borduurt zij? Wat heeft de jufvrouw
op het hoofd? Heb ik een kapsel op het hoofd? Wat
heeft de jufvrouw aan? Wat heb ik aan? Waar zitten
strikken? Hoe is het lijf? Waar zijn plooijen? Wat heeft
de stoel? Hoe zijn de zitting en de leuning? Hoe is het
trijp? Wat heeft het borduurraam niet? Wat heeft het
wel? Hoeveel pooten heeft het?