Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
32.
de diligence naar toe? Waar komt zij van daan? Hoe-
veel paarden zijn dat? Hoe loopen de paarden? Wat heb-
ben de paarden? Wat hebben zij aan? Waar is de staart?
Waar is de kop? Hoe zijn twee paarden? Hoe is een
paard? Wat heeft de diligence? Waar zijn de wielen?
Waar zijn de lantarens? Waar zitten drie mannen? Wat
houdt een man vast? Wat doet een man? Hoeveel men-
schen zitten in de diligence? Hoe zitten zij? Wat ligt op
de diligence? Wat ligt onder het zeil? Waarvan is het
zeil? Wie blaast op de trompet? Waarvan is de trompet?
17. De Jufvrouw met het Borduurwerk.
(Brugsma. Plaat 19. N». 1.)
Dat is eene jufvrouw. Deze jufvrouw zit op eenen
stoel. Deze stoel slaat op den grond. Achter den stoel
staat niets. Voor de jufvrouw staat een borduurraam.
Dit borduurraam is van de jufvrouw. Zij borduurt met de
naald. Zij heeft eene naald en eenen draad in de hand. De draad
zit door het oog van de naald. Deze draad is van wol,
of van zijde. De jufvrouw borduurt met de naald en den
draad. Zij borduurt op eenen lap. Waarvan is de lap?
Dat weet ik niet. Waarom niet? Ik kan het niet zien,
of voelen. De lap zit op het raam. De jufvrouw heeft
een kapsel op het hoofd. Zij heeft geene krullen, maar
opgestreken haar. Zij heeft eenen ketting om den hals, en
een strikje op de borst. Zij heeft eene japon aan. De japon
heeft mouwen. Deze mouwen zijn wijd. Op de mouwen
zitten strikken. Het lijf is glad. In den rok zijn plooijen.
De stoel heeft vier pooten, eene leuning en eene zitting.
De leuning en de zitting zijn zacht. Zij zijn bekleed
met trijp. Dit is rood. Het borduurraam heeft geene
leuning en geene zitting, maar wel pooten,
OEFENINGEN,
1. De jufvrouw zit op den grond. Achter den stoel
staat een borduurraam Het borduurraam is van de juf-
vrouw. Zij heeft eene speld in de hand. Zij schilt aard-
appelen, De draad zit onder het oog van de naald. Deze