Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
31.
van zeildoek. Wat ligt onder het zeil? Ik weet het niet;
ik kan het niet zien.
OEFENINGEN.
1. Dat is een paard. De paarden trekken de dili-
gence. De paarden zijn zwak. Zij loopen achter elkander.
Zij hebben vier oogen en twee pooten. De kop is van
achteren. De staart is niet van achteren. Twee paarden
zijn grijs. Een paard is bruin. De diligence is ook bruin.
Ik kan twee portieren, twee ramen en vier wielen zien.
De portieren, de treden en de ramen zijn van achteren.
De wielen zijn vierkant. Zij hebben geene spaken. Twee
wielen zijn van voren. Twee wielen zijn van achteren.
De lantarens branden nu. Vier mannen zitten op den bok.
Zij zitten achter elkander. Twee mannen blazen op eene
trompet. De trompet is van ijzer. In de diligence zitten
menschen. Zij zitten naast elkander. Op de diligence ligt
een zeil. Het zeil is van zijde.
2. De paarden — de diligence. De diligence — De
paarden — sterk. Zij loopen — elkander. De kop is--
De staart is — — Twee paarden — bruin. Een paard —
grijs. De paarden hebben een — aan. De portieren,
de treden, de ramen zijn — — De wielen — spaken.
Twee wielen zijn--Twee wielen zijn — — Ik — twee
wielen niet zien. De lantarens zijn--De bok is ook--
Drie mannen zitten — den boL Zij zitten--Een man
houdt de — vast. Een man — eene trompet. Hij — —
de trompet. — de diligence — menschen. De menschen
zitten--Op de diligence — een zeil.
3. Wie? Wat? Hoeveel? Hoe? Wat doet? Waar?
Waarvan?
De diligence — zij — eene, mijne, enz.
enz...........enz.
Het paard — het paardje.
enz......enz.
4. Vragen: Wat trekken de paarden? Waar rijdt