Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
29.
melkkan is niet van glas, maar van aarde. De karaf heeft
eenen bodem ; de glazen en de melkkan ook. De karaf heeft
eenen buik; de glazen niet, maar de melkkan wel. De
karaf heeft eenen hals; de glazen niet, maar de melkkan
wel. De karaf heeft geen oor; de glazen ook niet, maar
de melkkan wel. In de karaf en in één glas is water. In
één glas is melk. Is er in de melkkan ook melk? Dat
weet ik niet. Waarom niet? Ik kan het niet zien.
Het water is doorschijnend, de karaf en de glazen ook. De
melkkan is ondoorschijnend; de melk ook. Het water en de
melk zijn vloeibaar. De karaf, de glazen en de melkkan zijn
niet vloeibaar, maar vast. Ik drink melk. Ik drink water. Ik
drink ook water en melk. Het water smaakt goed. De
melk smaakt lekker. Ik drink geene inkt. Waarom niet?
De inkt smaakt leelijk. De menschen doen melk in de thee
en in de koBlj. Drink ik 's morgens thee? Drink ik
's middags kofBj? Wat drink ik 's avonds?
OEFENINGEN.
1. Daar staan drie glazen, twee karaffen en een kopje.
Zij zijn vierkant. De melkkan en de karaf zijn van glas.
De karaf heeft eenen bodem, de glazen en de melkkan niet.
De karaf heeft eenen hals; de melkkan niet, maar de gla-
zen wel. In de melkkan is water. Het water is vast. De
melkkan is vloeibaar en doorschijnend. De karaf is ondoor-
schijnend. Ik drink inkt. Ik drink geen water. De inkt
smaakt lekker. De melk smaakt leelijL Ik drink 's mor-
gens kofSj. Ik drink 's middags ook koflBj.
2. De karaf en de glazen — rond. Zij — van glas.
De karaf — eenen bodem, de glazen en de melkkan —
De karaf heeft eenen buik ; de glazen —, maar de melk-
kan — De karaf heeft eenen hals, de glazen —, maar de
melkkan — Het water — doorschijnend. Ik — melk. Het
water — goed. De menschen — melk in de thee en — de
koffij. Ik drink — thee. Ik drink — kofSj.
3. Wie? Wat? Hoeveel? Hoe? Wat doet?
Waar? Waarvan? Wanneer? 's morgens,'s middags,
's avonds.
De karaf — zij — eene, mijne, enz.
enz..........enz.