Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
28.
voor den vader en de moeder. Het juffertje hapt naar het
eendje. Het juffertje wil het eendje opeten. De eenden
kunnen loopen, kunnen zwemmen, kunnen vliegen, kunnen
vreten, kunnen ook spreken.
2. Elf eenden — in het water. Daar loopen eenige
eenden — — grond. Ginds vliegen — eenden — de
lucht. Het water — diep. Hier — biezen. De biezen
staan niet — Er groeit gras — het land. Hier zwemmen —
eenden. De vader en de moeder — voor de kinderen.
Het eendje hapt — het juffertje. Het eendje — het juf-
fertje opeten. Het eendje hapt — den bek. De bek is
niet spits, — stomp. De pooten — kort. De eenden —
loopen , — zwemmen , — vliegen, — vreten, — ook kwaken.
3. Wat? Hoe? Wat doet? Waar? Waarvoor'
Waarmede? met den bek.
Wat kunnen? kunnen zwemmen, enz.
Hoeveel? elf, eenige, vele, enz.
De eend — zij — eene, mijne, enz.
enz...........enz.
De eend — het eendje. Het huis — het huisje.
De boot — het bootje. Het kind—het kindje.
De boom — het boompje. De bek — het bekje.
De bies — het biesje
De poot — het pootje.
De vleugel — het vleugeltje.
4. Vragen: Wat zie ik daar? Hoeveel eenden zwemmen
in het water? Hoeveel eenden loopen op den grond? Waar vlie-
gen eenige eenden? Hoe is het water? Hoe zijn de biezen?
Wat ligt ginds? Wat staan ginds? Wat groeit er op het land?
Hoe zijn zes eenden? Waarvoor zorgen de vader en de moeder?
Wat doet een eendje? Waarom hapt het eendje naar het juffertje?
Waarmede hapt het eendje? VVat kunnen de eenden?
15. De Karaf, de Melkkan en de Glazen.
(Van Lummel. Iste reeks. Plaat U.)
Daar staan eene melkkan, eene'karaf, en twee glazen.
Zij zijn rond. De karaf en de glazen zijn van glas. De