Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
36.
geenen kam op den kop. De kam is rood. De haan, de
kip en het kuiken hebben eenen kop en eenen nek. Ik —
Zij hebben pooten. Zij kunnen loopen. De haan en het
kuiken loopen nu; maar de kip niet, Zij staat stil. De
pooten zijn dun. De haan heeft teenen en sporen. Ik —
De kip en het kuiken hebben teenen maar geen sporen.
De haan, de kip en het kuiken hebben vleugels. De haan
en de kip kunnen vliegen. Het kuiken kan niet vliegen;
het is nog jong en zwak. Ik — De haan, de kip en het
kuiken hebben vederen op den bast. De vederen zijn
zacht. De haan, de kip en het kuiken hebben eenen bek.
Zij kunnen vreten. De bek is klein, krom en spits.
De kip pikt. De haan kan kraaijen. De kip kan ka-
kelen. Het kuiken kan piepen. Ik — De haan is de
vader. De kip is de moeder. Het kuiken is het kind.
De kip zorgt voor het kuiken, Ginds staat een kip-
penloop. Hij is van hout.
OEFENINGEN.
1. De kip heeft geenen staart. Het kuiken heeft eenen
kam, maar geenen staart. Het kuiken zal eenen kam
krijgen. De kip heeft sporen. De haan, de kip en het
kuiken hebben vleugels. Zi] kunnen vliegen. Het kuiken
is oud en zwak. De kip staat stil; maar de haan en het
kuiken niet. De haan, de kip en het kuiken hebben
haar op den bast. Het kuiken is het kind. De haan is
de moeder. De kip is de vader. Het kuiken kan kraaijen.
Het kuiken zorgt voor de kip. Ginds staat een kippen-
loop. Hij is van steen.
3. De kip zorgt — het kuiken. De haan en de kip
— eenen kam — den kop. Het kuiken — piepen. De
haan — kraaijen. De kip — pooten; zij kan — Het
kuiken — eenen staart krijgen. Het kuiken is jong en
zwak ; het kan — — vliegen. De haan en--loopen nu,
3. Wie? Wat? Hoeveel? Hoe? Wat doet?
Waar? Waarvoor? voor het kuiken.
De haan - hij - een, uw, mijn haan - de, mijne, uwe hanen - zij,
enz.................enz.