Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
25.
OEFENINGEN.
1. Dat is een ezel. De jagthond zit; de poedel ook.
De honden hebben eenen kop, eenen hals, eenen rug, eene
borst, eenen buik. De honden hebben zes pooten. De
poedel heeft vele vlekken op den bast; de jagthond ook.
De honden hebben geen haar op den bast.
2. Ik ben een hond. Ik heb eene borst, eenen kop,
eenen hals, eenen staart. Ik ben buiten. Ik heb eenen naond ;
ik kan — Ik kan bijten; ik heb — Ik kan zien; ik heb —
Ik kan ruiken; ik heb — Ik kan loopen; ik heb — Ik heb
vlekken op de huid. Ik heb twee ooren; ik kan —
3. De honden — eenen kop, eenen hals, eenen rug,
eene borst, eenen buik. De honden hebben pooten, zij kun-
nen — De honden — teenen. De honden hebben eenen
staart; zij ■ kunnen — De honden hebben eenen neus; zij
kunnen — De jagthond is — De honden hebben tanden;
zij kunnen — De honden hebben eenen bek; zij kunnen —•
De honden ,— tanden — den bek. De jagthond — vele
vlekken — den bast.
4. Wie? Wat? Hoeveel? Hoe? Wat doet?
Waar?
De hond - hij - een, mijn uw hond - de, mijne, uwe honden - zij
enz................enz.
5. Vragen: Hoeveel honden zijn daar? Waar zijn zij?
Waar ben ik? Wat kunnen de honden? Wat kan ik? Kan
ik blaffen? Wat hebben de honden? Wat heb ik?
13. De Hoenders.
(Van Lummel. 2i1o reeks. 1ste Afd. Plaat 19.)
Dat is een haan. Dat is eene kip. Dat is een kuiken.
De haan, de kip en het kuiken zijn buiten. Ik — Zij
zijn hoenders. De haan heeft eenen staart. Hij is lang en
krom. De kip heeft ook eenen staart. Hij is niet lang
en krom, maar kort en regt. Het kuiken heeft noggeenen
staart. Het zal eenen staart krijgen. De haan en de kip
hebben eenen kam op den kop. Ik — Het kuiken heeft