Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
22.
kozijn. De ruiten — vuil. De meid ziet — de rui-
ten. De meid spuit het water — de ruiten. Het water
loopt — de ruiten, — het kozijn. Het raaghoofd — aan
eenen stok. De stok ligt — de leuning. De meid — het
raaghoofd nemen. Zij — de ruiten wasschen — het raag-
hoofd. Het raaghoofd — borstels. Ik heb geene borstels —
het hoofd; ik heb — op het hoofd. Het varken heeft bor-
stels — den bast. De emmer — eenen hengel. De
hengel — van ijzer. Twee hoepels zitten — den emmer.
De hoepels — ook van ijzer. De ruiten zijn — glas. De
meid — twee armen. De spuit is niet van ijzer, maar van —
5, a. Wie? de meid,
l. Wat? da spuit, enz.
c. Waarvan? van koper, enz.
d. Hoeveel? twee, enz.
e. Hoe? bloot, enz.
f. Wat doet? spuit, enz.
g. De meid — zij.
enz, — enz.
h. Waar? op de straat, enz,
i. Waarnaar? naar de ruiten, enz,
6, Vragen: a. Hoeveel ruiten zijn daar? Hoeveel
emmers zijn daar? Hoeveel hoepels zijn daar?
h. Wie staat op de straat? Wie houdt de spuit vast?
Wat staat in eenen emmer? Wat staat op de straat, voor
de meid? W^at loopt langs de ruiten? Wie ziet naar de
ruiten? Wat zit aan eenen stok? Wie zal het raaghoofd
nemefi? Wat heeft borstels? Wat heeft borstels op den
bast? Wat is van ijzer? Wat zitten om den emmer?
Wat is van ijzer? Wat is niet van ijzer, maar van koper?
c. Wat heeft de meid? Wat heb ik? Wat heeft
de meid «an? Wat heb ik aan? Wat heeft het raam?
Wat heeft het raaghoofd? Wat heeft de emmer? Wat
houdt de meid vast? Wat zal de meid wasschen? Wat
(] heeft het varken op den bast?
d. Wat doet de meid? Wat doe ik? Wat zal de
meid doen? Wat zal ik doen? Wat doet de spuit? Wat
doet het raaghoofd?
! e. Hoe zijn de ruiten? Waarvan zijn de ruiten?
Waarvan zijn de hoepels? Waarvan is de spuit? Waarvan
: is de paal?