Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
21.
Het water loopt langs de ruiten, over het kozijn.
Dat is een paal. Dat is eene leuning. Dat is een raaghoofd.
Het raaghoofd !?it aan eenen stok. De stok ligt op de
leuning. De meid zal het raaghoofd nemen. Zij zal de
ruiten wasschen. Het raaghoofd heeft borstels. Ik heb geene
borstels op het hoofd; ik heb haar op het hoofd. Het
varken heeft borstels op den bast. De emmer heeft eenen
hengel. De hengel is van ijzer. Twee hoepels zitten om
den emmer. De hoepels zijn ook van ijzer. De spuit is
niet van ijzer, maar van koper. De ruiten zijn van glas.
De paal is van steen. De meid heeft twee armen. De armen
zijn bloot. Mijne armen —
OEFENINGEN,
1, Dat is een jongen. De meid staat op de straat,
voor het huis. Zij houdt het raaghoofd vast. Zij zit. De
spuit ligt op den grond. Het raam lieeft ruiten en een
kozijn. De ruiten zijn schoon. De meid spuit het water
op den grond. Het raaghoofd zit aan eenen stok. Het
raaghoofd ligt op den grond. Het raaghoofd heeft haar. Ik
heb borstels op het hoofd. De meid zal het raaghoofd nemen.
De emmer heeft eenen hengel. De hengel is van koper.
De spuit is van ijzer. De emmer is ook van ijzer. Drie
hoepels zitten om den emmer. De hoepels zijn van hout.
De ruiten zijn van steen.
Ik ben eene meid. Ik heet Karei. Ik sta nu. Ik
houd nu de spuit vast. Ik spuit nu. Ik heb een raaghoofd.
Ik heb haar op het hoofd. Ik heb twee armen. Mijne
armen zijn bloot. Ik zal wasschen. Ik zal het raaghoofd
nemen.
3. Een emmer - emmers. De emmer
Een raaghoofd - raaghoofden. Het raaghoofd - de
Eene spuit - spuiten. De spuit
Mijn emmer
Mijn raaghoofd-mijne
Mijne spuit
emmers. Uw emmer -
raaghoofden. Uw raaghoofd-uwe
spuiten. Uwe spuit
emmers.
raaghoofden.
spuiten.
emmers.
raaghoofden,
spuiten.
4, De meid staat — de straat — een huis. Zij —
eene spuit vast. De spuit staat — eenen emmer. De emmer
staat — de straat, — de meid. Het raam — ruiten — een