Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
20.
Wat ligt op de tafel? Wat staan in de boekenkast? Wat
hangt aan den muur? Wie kijkt naar het papier? Wie kijkt
naar de breikous? Wie heeft haar op het hoofd? Wat is
vierkant? Wie is naarstig? Wie heeft eene breikous in de
handen? Wie zal breijen? Wat is van hout? Wat is van
steen? Wat is geel? Wat is blaauw?
c. Wat heeft de jongen? Wat heeft het meisje? Wat
heb ik? Wat heeft de jongen aan? Wat heeft het meisje
aan? Wat heb ik aan? Wat heeft de lei? Wat heeft de
tafel? Wat heeft de jongen op het hoofd? Wat heb ik op
het hoofd?
cl. Wat doet de jongen? Wat doet het meisje? Wat
doe ik? Wat zal het meisje doen? Wat zal ik doen? Wat
doet de inktkoker? Wat doen de boeken in de boekenkast?
Wat doen de boeken op de tafel? Wat doet de lei?
e. Hoe is de jongen? Hoe is het meisje? Hoe heet
de jongen? Hoe heet het meisje? Hoe heet ik? Hoe is
de lei? Hoe is de stoof? Hoe is de kiel? Hoe is de broek?
Hoe is de jurk? Hoe is het haar?
f. Waarvan is de lei? Waarvan is de lijst? Waarvan
is de tafel? Waarvan is de stoof?
g. Waar zit de jongen? Waar zit het meisje? Waar
staan de stoel en het tabouret? Waar staat de stoof? Waar
staat de lei? Waar hangt de klok? Waar heeft de jongen
eene pen? Waar kijkt de jongen naar? Waar kijkt het
meisje naar?
10. De Meid met de Spuit.
(Brugsma. Plaat 15. N». 1.)
Dat is eene meid. Hoe heet zij? Dat weet ik niet.
Ik heet — De meid staat op de straat, voor een
huis. Ik — Zij houdt eene spuit vast. Ik — De meid
bukt. Ik — De meid spuit. Ik — De spuit staat in
eenen emmer. Dat is water. Het water is in den
emmer. Hij staat op de straat, voor de meid. Dat
is een huis. Dat is een raam. Het raam heeft ruiten en
een kozijn. De ruiten zijn vuil. De meid ziet naar de
ruiten. Ik — De meid spuit het water naar de ruiten.