Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
18.
handen. Dat zijn breinaalden. Dat is een kloen. Het
meisje kijkt naar de breikous. Zij breit nu niet. Zij
zal breijen. Zij is naarstig. De jongen is ook naarstig.
Het schrijfboek is vierkant. De lei is ook vierkant. Zij
heeft eene lijst. De lijst is van hout. De lei is van steen.
Zij is zwart. De jongen heeft eenen kiel, eenen kraag,
eene broek en twee schoenen aan. Het meisje. Ik — J3e
kiel is blaauw. De broek is grijs. De kraag is wit. De
jongen heeft haar op het hoofd. Het is zwart. Het
meisje heeft ook haar op het hoofd. Het is bruin. Ik —
Mijn haar — De tafel is van hout. Zij heeft vier pooten.
Zij is bruin. De jurk is rood. Het schortje is wit. Het
meisje heeft twee armen. Zij zijn bloot. De jongen heeft
ook twee armen. Zij zijn niet bloot. Mijne armen —
OEFENINGEN.
1. Dat is een man. De jongen zit op eenen stoel.
Het meisje zit op den grond. De test staat op de stoof.
De stoof staat op de tafel. Dat is eene lei. De lei ligt
op de tafel. Daar zijn vele boeken. Zij liggen op de
tafel. Daar zijn drie boeken. Zij staan in de boekenkast.
De boekenkast hangt aan den muur. Dat is een inktpot.
De inktpot staat op den grond. De jongen heeft eene
breikous. Het meisje heeft eene pen. De jongen kijkt naar
de klok. Het meisje breit nu. Het meisje zal schrijven.
Het meisje is lui. De jongen is ook lui. Het schrijfboek
is rond. De lei is ook rond. De lei heeft eene lijst.
De lei is van hout. De lijst is van steen. Het meisje
heeft eenen kraag om, eenen kiel, eene broek en twee
schoenen aan. De kiel is zwart. De schoenen zijn blaauw.
Het meisje heeft haar op het hoofd. Het haar is zwart.
De jongen heeft haar op den kiel. De tafel heeft zes
pooten. De jurk is rood. Het schortje is ook rood. Het
meisje heeft twee armen. Zij zijn niet bloot. De jongen
heeft ook twee armen. Zij zijn bloot,
2. Ik ben een jongen. Ik heet Jan, Ik zit op den
grond. Ik ben naarstig. Ik heb eene pen. Ik heb eene
breikous. Ik heb eene lei. Mijne lei is van steen. Ik
heb een schrijfboek. Ik heb eenen kiel, eene broek en
schoenen aan. Mijn kiel is blaauw. Mijne broek is groen.