Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
16.
OEFENINGEN.
]. Dat is een jongen. De man knielt. Dat is
eene tafel. De lessenaar staat. De inktkoker hangt.
De man houdt eene griffel vast. De man denkt en teekent.
De man zal schrijven. De man leest. Het papier
ligt regt. Het papier is zwart. De pen is ook zwart.
De lessenaar is ligt en rond. De pen is zwaar en spits.
De pen heeft eenen bek. De lessenaar is van glas. De
inktkoker is van hout. De lessenaar heeft twee laden.
De man hepft eenen zakdoek. De zakdoek is wit. De
zakdoek is van katoen. De man heeft eenen jas en eene
broek aan. De jas is van zijde. De broek is van leder.
2. Ik ben een man. Ik sta nu. Ik denk en
schrijf nu. Ik houd nu eene pen vast. Ik heb eenen
bek. Ik heb eenen jas en eene broek aan. Mijn jas
is van laken. Mijne broek is van zijde. Ik heb eenen
zakdoek. Mijn zakdoek is van katoen. Ik zal lezen.
3. De jas — een jas, enz.
enz. — enz. , enz.
4. De man — eene pen en papier. De man — lezen.
De pen — ligt. Het papier — schuins. De man —
eenen inktkoker. Ik — eenen inktkoker. De inktko-
ker — van glas. De inktkoker — zwart. De lessenaar —
zwaar. De pen — eenen bek. De bek — spits. De
lessenaar — van hout. De man — eenen jas en eene
broek aan. De jas — van katoen. De jas — geruit.
De broek — blaauw. De broek — van laken.
5. a. Wie? de man, enz.
h. Wat? de lessenaar — de tafel, enz., heeft eene
pen, enz., heeft eenen jas en eene broek
aan, enz,
c. Waarvan? van hout, enz.
d. Hoe? schuins — waterpas — loodregt, enz.
e. De man — hij.
enz. — enz.