Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
hemd is wit. Mijn hemd — Het hemd is van Hnnen^
Mijn hemd — De petten zijn van laken. Het touw is
lang en sterk. Het is van hennep. Dat is een pakje.
Het ligt. Dat is eene kruik. Zij ligt ook. Dat is eene
kom. Zij staat. Zij is van aarde. De kruik is ook
van aarde.
OEFENINGEN.
1. Dat is een man. Dat zijn vier vrouwen. Eén
man staat. Drie mannen knielen. De vrouw bukt. Twee
mannen houden een touw vast. Één man heeft eene
schop. De man hakt. Één man heeft eene bijl. De
man graaft. De mannen vellen den boom. Vier mannen
hebben een buis aan. Twee mannen hebben eenen hoed
op. Twee mannen hebben eenen pet op. Drie mannen
hebben schoenen aan, Één man heeft klompen aan. De
mannen hebben geen hemd aan. De bijl is bot. De
bijl heeft geenen steels De bijl is van hout. De stelen
zijn van ijzer. De klompen zijn van aarde. De stukken
hout zijn vierkant en ligt. Het hemd is zwart. De pet-
ten zijn van laken. Het touw is kort en sterk. Het
touw is van laken. De kruik is van hout. De kruik staat.
2. Ik ben een man. Ik kniel. Ik heb eene schop.
Ik houd de schop vast. Ik graaf. Ik heb eene bijl.
Ik hak. Ik heb twee armen. Ik heb een buis aan. Ik
heb eenen hoed op. Mijn hoed is rood. Ik heb klompen
aan. Ik heb een hemd aan. Mijn hemd is zwart,
3. Het buis— een buis — mijn buis —uw buis.
Het hemd — een hemd —mijn hemd — uw hemd.
De klomp — een klomp — mij n klomp — uw klomp.
De bijl — eene bijl — mijne bijl — uwe bijl.
De schop — eene schop — m ij ne schop — uwe schop,
De voet — een voet — m ij n voet — uw voet.
4. Ik — een man. De man — eene schop. De
schop — eenen steel De steel — van hout. De man —
eene bijl. De bijl — van ijzer. De bijl —■ scherp. De
mannen — een touw vast. De mannen — den boom. De
vrouw — twee armen. De vrouw — takken. Ik — twee