Boekgegevens
Titel: Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Auteur: Hill, Moritz; Hirsch, David
Uitgave: Rotterdam: Hendrik Altmann, 1864-1869
Inrigting voor doofstommen-onderwijs
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 D 58-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204859
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Lezen, Linguïstiek, Wandplaten, Doofstommen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lees- en taaloefeningen ten dienste van doofstomme kinderen, ook geschikt ten gebruike van hoorende kinderen, in de laagste klassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
3. De Meikever.
(Van Lummel. 2ae reeks, late Afd. Plaat 19.)
Dat is een meikever. Hij is bont. Dat zijn twee voel-
horens. De meikever heeft twee voelhorens. De voelhorens
zijn dun. De meikever kan voelen. Hij heeft twee schil-
den. De schilden zip bruin. De meikever heeft twee vleu-
gels. Zij zijn doorschijnend. De meikever kan vliegen.
Hij vliegt nu niet. Hij heeft zes pooten. Hij loopt. Hij
heeft twee oogen. Hij ziet. Hij heeft eenen bek. Hij kan
vreten. Hij vreet nu niet. Dat is een blad. Het is groen.
Het heeft eenen steel. Dat is eene pop. Dat is een mas-
ker. Dat is een ei; dat zijn acht eijeren. De eijeren
zijn klein.
OEFENINGEN.
1. Dat is eene muis. De meikever vliegt nu.
De meikever heeft vier vleugels. De vleugels zijn bruin.
De schilden zijn doorschijnend. De meikever kan vre-
ten, De meikever heeft vier pooten. De meikever heeft
drie voelhorens. De meikever kan voelen. De voel-
horens zijn dik. De meikever ziet niet. De meikever
is zwart. Het blad heeft eenen steel. Het blad is rood.
Dat zijn acht poppen. Dat is een masker. De pop staat.
De eijeren zijn klein.
2. Hoe?
De meikever is —
Het blad is —
De vleugels zijn —
De voelhorens zijn —
De eijeren zijn —
Wat kan?
De meikever kan —■
Wat heeft?
De meikever —
Het blad —
Wat?
— zijn bruin.
— is groen,
— heeft twee voelhorens,
— zijn dun.
— kan vreten,
— zijn klein,
— is ligt.
— zijn doorschijnend.